Alweer bijna tien jaar geleden verhuisde ik van Amsterdam naar Rotterdam. Als mensen me vragen waarom - en dat gebeurt best vaak - vertel ik altijd dat ik toentertijd een compagnon had in Rotterdam en dus vaak met de trein aankwam op Rotterdam Centraal. De ontvangshal voelde als een oneindige ruimte. Alle luikjes in mijn volle hoofd gingen open, er woei een frisse wind door en nieuwe ideëen vonden weer hun weg naar binnen. Ja, dus? hoor ik je denken. Nou, in Amsterdam lukte me dat niet: een vol hoofd legen. Overal waar ik keek, of het nou op straat was of op mijn telefoon, was iedere vierkante (centi)meter ingevuld met plekken om shit te kopen. Shit om te eten en te drinken, shit om in je huis te zetten, echt hele mooie shit, hoor - maar ik had het gevoel dat ik de hele dag orders moest opvolgen van de winkels om me heen. Ik was continu verzadigd - er kon echt niks meer bij. In Rotterdam had je dat niet, was het zelfs echt speuren naar goede koffie of eerdergenoemde mooie shit. En de calvinist in mij vond dat héérlijk. Hard werken voor je ontdekkingen. Niet alles op een dienblaadje gepresenteerd krijgen. Soms even alleen maar grijze gebouwen zien of geen idee hebben waar my people in deze stad nou weer uithangen. Meer leegte, meer verveling. Wat ik hier de afgelopen 10 jaar aan heb gehad? Aan al dat stadse beton en harde gezoek naar mooie plekken en bijzondere mensen? Nou, drie dingen. 1) Ik ben veel autonomer geworden, want minder gestuurd door peers, sociale media en zelf-opgelegde Amsterdamse verwachtingen. Van gevangen in verzadiging naar bewegen in vrijheid. 2) Dat een leger hoofd gelukkiger en creatiever maakt. Minder input = meer ideëen. 3) Dat alles wat ik vanuit deze stad ben begonnen, zoals een relatie, een gezin, nieuwsbrieven schrijven, opleidingen en nieuwe vriendschappen, nooit was gelukt als ik continu verzadigd was. (Wat er dan überhaupt wél gelukt was, vraag ik me ook wel eens af.) Zo. Nu gaan we het over kunst hebben, want in the spirit of legere hoofden vind ik de meeste tentoonstellingen ook te vol, te veel, te druk. Dus ik besloot afgelopen jaar de tentoonstelling We Are Nature in het Singer Laren te bezoeken met één missie: het werk van de Slowaakse kunstenaar Vladimír Zbyňovský (1964) bekijken. De rest liet ik zo goed als links liggen. Sorry, Prinses Irene. Zbyňovský's werk bestaat uit grote stukken steen, waar hij een object van glas op laat passen alsof het zo in de natuur is ontstaan. Geweldig prachtig, vind ik. Toen ik daar aankwam en het live zag, was het ook echt even alsof ik met mijn idool alleen in de kamer was. En van een idool krijg je nooit genoeg, toch?
|
