Wolkenarmada's zeilen over de verkavelde landerijen achter de Westfriese Omringdijk – overzeese hulptroepen ter ondersteuning van gevechtshandelingen elders. Hun schaduwen jagen over de kale akkers, zwiepen twee eenden uit de sloot en doen mij vol op de trappers staan. Het ruikt naar droge aardappelschillen. Het is geen wonderschoon landschap, maar wat kan ik eraan doen, het is de bedding van mijn jeugd en met een tussenpose van dertig jaar Finland het decor van mijn huidige verwijlen. Het is tevens de biotoop van mijn vriend de gebochelde hoefsmid, die stramme loopvogel met zijn atelier aan het kanaal. Nou ja, 'lopen', dat heeft hij zolang ik hem ken niet zelf gedaan, dat doet dat onzichtbare knol tussen zijn benen voor hem. Niet voor lang meer. De zeeklei achter de duinen is gestopt met flirten met mijn vriend; het heeft man en paard 'ontboden'. In de meest dwingende zin van het woord. Niet ooit of eens, maar binnenkort, zeer binnenkort, zonder omhaal en verzachtende omstandigheden. 'Ga alvast maar een speech schrijven,' gebood de ontbodene mij alsof het om een expositiecatalogus gaat. Behalve deze Meel ga ik niks schrijven, ik heb belastend materiaal genoeg voor wel drie uitvaarten. Wat heeft het voor zin iets te schrijven als de knutselende circusbeer er zelf niet bij kan zijn? In plaats daarvan ga ik 'materiaal' verzamelen, zo lang het nog kan, op de drempel, van een eeuwige jongen met een onversneden levenslust, hoe moe hij ook is. Zonder ons te willen vergelijken met twee van de grootste geesten uit de wereldliteratuur moet ik denken aan wat Tolstoj Toergenjev na een tumultueuze vriendschap telegrafeerde op zijn doodsbed: 'Het was een eer dit tijdperk met u te mogen delen.' Soms is het leven ellendiger als de dood. 'Als' de dood? 'Dan' de dood, toch … ? Nee, ALS, godverdomme. Aug 2026 |
Meel 280 Loopvogel
Wolkenarmada's zeilen over de verkavelde landerijen achter de Westfriese Omringdijk – overzeese hulptroepen ter ondersteuning van gevechtshandelingen elders. Hun schaduwen jagen over de kale akkers, zwiepen twee eenden uit de sloot en doen mij vol op de trappers staan. Het ruikt naar droge aardappelschillen. Het is geen wonderschoon landschap, maar wat kan ik eraan doen, het is de bedding van mijn jeugd en met een tussenpose van dertig jaar Finland het decor van mijn huidige verwijlen. Het is tevens de biotoop van mijn vriend de gebochelde hoefsmid, die stramme loopvogel met zijn atelier aan het kanaal. Nou ja, 'lopen', dat heeft hij zolang ik hem ken niet zelf gedaan, dat doet dat onzichtbare knol tussen zijn benen voor hem. Niet voor lang meer. De zeeklei achter de duinen is gestopt met flirten met mijn vriend; het heeft man en paard 'ontboden'. In de meest dwingende zin van het woord. Niet ooit of eens, maar binnenkort, zeer binnenkort, zonder omhaal en verzachtende omstandigheden. 'Ga alvast maar een speech schrijven,' gebood de ontbodene mij alsof het om een expositiecatalogus gaat. Behalve deze Meel ga ik niks schrijven, ik heb belastend materiaal genoeg voor wel drie uitvaarten. Wat heeft het voor zin iets te schrijven als de knutselende circusbeer er zelf niet bij kan zijn? In plaats daarvan ga ik 'materiaal' verzamelen, zo lang het nog kan, op de drempel, van een eeuwige jongen met een onversneden levenslust, hoe moe hij ook is. Zonder ons te willen vergelijken met twee van de grootste geesten uit de wereldliteratuur moet ik denken aan wat Tolstoj Toergenjev na een tumultueuze vriendschap telegrafeerde op zijn doodsbed: 'Het was een eer dit tijdperk met u te mogen delen.' Soms is het leven ellendiger als de dood. 'Als' de dood? 'Dan' de dood, toch … ? Nee, ALS, godverdomme. Aug 2026 |