Het is de Nacht van de Kunsten, het startschot voor de nazomerse feestweken in Helsinki. Omdat mijn eigen tentoonstelling was afgeblazen heb ik tijd voor andermans artistieke oprispingen. Een oude bekende, drummer van beroep, brengt met tientallen andere drummers een ode aan een bejaarde straatmuzikant, zwerver van beroep, redelijk verstandelijk beperkt en mij welbekend. Met z'n allen roffelen op een rits gemeentelijke vuilnisbakken. Het idee is leuk, de uitvoering haalt het niet bij de optredens van de autodidactloze zelf, die niet trommelt voor geld of om doorgang te verlenen aan goddelijke inspiratie, maar om het geraas, stemmen of de stilte in zijn kop te overstemmen. Vijfentwintig jaar geleden zat Juha meestal op de stoep voor Ateneum te hengsten op zijn batterij emmers en pannen, dozen en zoute augurkenblikken. In trance zo leek het, maar altijd klaar om een van die dronken klootzakjes te verrassen die zijn emmers omschopten of aan zijn geld zaten. Jammer dat hij te log was om er een te grijpen en te vermorzelen. Sinds ik hem had geëngageerd om een expositie luister bij te zetten onderbrak hij zijn optredens om mij te omhelzen als ik langsliep. Ter ere van mijn vernissage had hij zich in een laken gewikkeld, een gasmasker over zijn hoofd getrokken en een koloniale hoed opgezet. Ik bracht hem borrels, we rookten jointjes en ik betaalde hem vorstelijk. Sindsdien was ik zijn broer. Mijn dochter klom als een bang aapje in mijn been als Balou de lucht uit mij kneep. Hij is oud geworden en tanig als een junk, met twee bruine nijlpaardstompen in een liploze spelonk. Hij kijkt mij met een scheef hoofd argwanend aan alsof ik van de gemeente ben en hem een drumverbod ga opleggen. Van gasmaskers weet hij niks, laat staan van een broer. Ik ben opgelost in de dampen der vergetelheid. Via een galerie met glasgeblazen waterijsjes en ander uitvergroot snoepgoed als Engelse drop en de farmaceutische consumptie van een 92-jarige waarvan alleen het gemopper het nog uit eigen beweging doet, bezoek ik het orgelconcert in de Christuskerk van mijn Friese vriend. (Hij leidt een koor en bespeelt het orgel, die kerk is niet van hem!) De banken zijn hard, het orgel is hard, het leven ... Toch zit ik lekker en al gauw wiegt de eeuwenoude muziek mij in een staat waarin ik het verglijden van de tijd en de eenzame dood zowaar met een enige berusting aanvaard. Hoe of dat ik je optreden vond, Luut? Ik vond het goed, Luut. Het was goed! Aug 2026 |
Meel 281 Nacht van de Kunsten
Het is de Nacht van de Kunsten, het startschot voor de nazomerse feestweken in Helsinki. Omdat mijn eigen tentoonstelling was afgeblazen heb ik tijd voor andermans artistieke oprispingen. Een oude bekende, drummer van beroep, brengt met tientallen andere drummers een ode aan een bejaarde straatmuzikant, zwerver van beroep, redelijk verstandelijk beperkt en mij welbekend. Met z'n allen roffelen op een rits gemeentelijke vuilnisbakken. Het idee is leuk, de uitvoering haalt het niet bij de optredens van de autodidactloze zelf, die niet trommelt voor geld of om doorgang te verlenen aan goddelijke inspiratie, maar om het geraas, stemmen of de stilte in zijn kop te overstemmen. Vijfentwintig jaar geleden zat Juha meestal op de stoep voor Ateneum te hengsten op zijn batterij emmers en pannen, dozen en zoute augurkenblikken. In trance zo leek het, maar altijd klaar om een van die dronken klootzakjes te verrassen die zijn emmers omschopten of aan zijn geld zaten. Jammer dat hij te log was om er een te grijpen en te vermorzelen. Sinds ik hem had geëngageerd om een expositie luister bij te zetten onderbrak hij zijn optredens om mij te omhelzen als ik langsliep. Ter ere van mijn vernissage had hij zich in een laken gewikkeld, een gasmasker over zijn hoofd getrokken en een koloniale hoed opgezet. Ik bracht hem borrels, we rookten jointjes en ik betaalde hem vorstelijk. Sindsdien was ik zijn broer. Mijn dochter klom als een bang aapje in mijn been als Balou de lucht uit mij kneep. Hij is oud geworden en tanig als een junk, met twee bruine nijlpaardstompen in een liploze spelonk. Hij kijkt mij met een scheef hoofd argwanend aan alsof ik van de gemeente ben en hem een drumverbod ga opleggen. Van gasmaskers weet hij niks, laat staan van een broer. Ik ben opgelost in de dampen der vergetelheid. Via een galerie met glasgeblazen waterijsjes en ander uitvergroot snoepgoed als Engelse drop en de farmaceutische consumptie van een 92-jarige waarvan alleen het gemopper het nog uit eigen beweging doet, bezoek ik het orgelconcert in de Christuskerk van mijn Friese vriend. (Hij leidt een koor en bespeelt het orgel, die kerk is niet van hem!) De banken zijn hard, het orgel is hard, het leven ... Toch zit ik lekker en al gauw wiegt de eeuwenoude muziek mij in een staat waarin ik het verglijden van de tijd en de eenzame dood zowaar met een enige berusting aanvaard. Hoe of dat ik je optreden vond, Luut? Ik vond het goed, Luut. Het was goed! Aug 2026 |