Mijn afspraak draagt een heel klein trillend hondje bij zich in een rood vestje met konijnenbont. Het is waar dat de temperatuur op het Senaatsplein de min twintig aantikt, maar in restaurant Engel is het tropisch als in een terrarium. Nee, dit soort hondjes beeft altijd; dat zit in het ras, gefokt om hun vrouwtjes tot tranen toe te vertederen, om zo min mogelijk ruimte over te laten voor een romantische betrekking met een rechtop lopend zoogdier. Dan moet vrouwtje naar het toilet. Heel erg tegen mijn zin beloof ik wel even op te passen, heel erg in de hoop ook onopgemerkt te blijven, maar ze is nog niet weg of ik word aangesproken door een door haar knieën zijgende, smeltende Finse. 'Wát een lief jasje heeft hij aan! Hoe heet ie?' vraagt ze, de muskusrat aan zijn sik kriebelend. Weet ik veel hoe het diertje heet. 'Nancy,' zeg ik. 'Maar het is een reutje?' 'Een reutje, ja, maar dat wilde hij graag. Hij is, eh … ' fluister ik discreet. 'Hoe zal ik het zeggen?' Ik tik met mijn vingers van de ene hand op de bovenkant van de andere. Er schiet mij een voorval van jaren her met een andere hond te binnen die Wodan of Odin heette. Een obese weekendlogé met kakkorsten rond z'n aars. Een überenthousiaste zwarte labrador met het syndroom van Kanner die zijn snuit ongegeneerd in de kruizen van tramreizigers boorde. Ik wil het, net als destijds met dat smerige beest in de tram, hier in Engel uitschreeuwen: dit is NIET MIJN hond! Maar dan is vrouwtje er alweer. Het beestje begint weer te bibberen en angstige piepgeluidjes te maken. 'Je mag hem wel lenen als je deze week om contact verlegen zit,' gniffelt ze. 'Dank je, maar ik heb al verkering,' zeg ik. 'Je weet hoe wij dit soort hondjes in Nederland noemen?' 'Heten die niet overal Yorkshire Terriers?' 'Ja, ook ja. Maar als je het echt niet weet, ga ik je niet op ideeën brengen.'
Jan 2026
|
