(1) Zijn moeder heeft gevraagd om het dakje van haar schuur te vervangen en om de pergola te herstellen. De weg door het huis is als altijd: portiek, trap op, deur open, gang door, trap af, gang door, tuindeur. Op weg naar buiten controleer ik of er tekeningetjes, foto’s of schilderijen aan de muren zijn vervangen door nieuwe. Beneden in de vensterbank staat een klein beeldje dat er ook stond toen ze vorig jaar haar verjaardag vierde. Een jongen met een capuchon zit gebogen op de schoot van een vrouw met geschrokken ogen en een rode bril. Aan de muur naast de tuindeur hangen bordjes. Op één van de bordjes staat: plus je connais les hommes, plus j’aime les chiens. Als ik tijdens het werken naar het grasveldje naast het schuurtje kijk, vraag ik me af of het vroeger groter was toen we hier paaltjesvoetbal speelden. Het atelier hangt vol met tekeningen van borduursels en textiel. De getekende draden en patronen zijn uitgeknipt en over elkaar heengelegd. Ze vormen daarmee de basis voor nieuwe tekeningen. In het jaar van zijn dood exposeerde ze met een aantal werken in de Oosterkerk, vlakbij het Scheepvaartmuseum. Ze had met krijt gekleurde breigaren getekend en uitgeknipt. Ook had ze een deken getekend met manen en sterren erop. De tekening was uitgeknipt en op de bodem van de kerkvloer gelegd. Als je goed keek, zag je een opgekruld lichaam onder de deken liggen. Later maakte ze van die tekening een vierkante kaart. Pietà stond er met gouden draad geborduurd tussen de manen en sterren. “Is ze blij met wat we gemaakt hebben?” vraagt mijn collega. Hij kan anderen goed inschatten, maar krijgt van haar geen hoogte. “Ja, ze vindt het mooi,” zeg ik.
(2) Soms zie ik hem als een samenvatting van wat onze familie is. Dat geheel van draden en ballast, waaruit hij als een explosie verdween. Soms zie ik hem als het treurige gevolg ervan. Hij was een jaar dood en omdat hij dood was, moesten we samenkomen. Bij een broodzaak aan de gracht is geregeld dat er die week een speciale Alexander-tosti wordt geserveerd met kimchi. Ik wil niet in de ruimte zijn en ik wil geen tosti’s met kimchi eten. Ik denk aan de dagen dat ik helemaal niet at, alleen maar dronk. Ik neem Narayana onder mijn jas en samen kijken we buiten naar de fietsers. De vermoeiing komt in fases. Ik vraag mezelf of ik moet leren accepteren dat ik nu kreupel ben, sinds de dood van mijn broer. Ik ben bang dat ik zwakker ben gebouwd dan anderen, door de mate waarin het verdriet mij verstoort. Worstel, roept het, worstel en kom boven.
(3) “Wat is hij mager,” zegt de vader als hij het naakte lichaam van zijn dode zoon bekijkt. Zijn moeder vond hem die ochtend opgekruld onder de deken, maar de politie heeft hem na haar onderzoek rechtgelegd. Het dekbed waaronder hij lag, herken ik uit zijn kinderkamer. Het is een donker met manen en zonnen en sterren erop. Ook op de muren van zijn oude kinderkamer waren sterren en manen en zonnen geschilderd, maar tegen een lichtblauwe achtergrond.
(4) Voor ik aankwam, had ik al veel gedronken. We zaten onder de pergola om het over zijn zelfmoordpogingen te hebben. Alex zat aan de kant van het atelier. Ik kan me niet herinneren wat ik zei, maar ik was boos. Later beweerden we dat we hem zouden steunen als hij alsnog dood zou willen. Maar onze cultuur is er helemaal niet één van het schikken naar de ander, meer van doen wat je zelf belangrijk vindt. En als je dan schikt, dan onder voorwaarden. In de weken na die eerste poging probeerde ik hem te betrekken in het werk dat ik deed. Omdat hij niet verschenen was op de afgesproken tijd, klopte ik aan bij zijn kamer en ging binnen. “Het geeft niet,” zei ik, “als je er zo om tien bent, dan is alles goed.” Rond half elf zag ik hem zijn huis uitgaan om de hond uit te laten. Ik vroeg wat hij ging doen en waarom hij er nog niet was. “Ik heb geen ja gezegd op wat je zei,” zei hij. In die zin klopte dat, dacht ik. Hij had helemaal niets gezegd.
(5) Op de terugweg van Berlijn had ik niet kunnen slapen. Ergens in die periode was er een gesprek in de tuin. Het ging over intimiteit. Iets van je binnenste delen met de ander, leken ze het met elkaar eens te zijn. En in stilte samen zijn en voor je uit staren? vroeg ik me toen af. Hij zat in een zwarte hoodie in zijn éénpersoonsbed. “Wat doe je?” vroeg hij, omdat ik hem hulpeloos betraand aankeek. Ik had geen idee wat ik mijn broer kon zeggen nadat hij zelfmoord had willen plegen. Behalve misschien ik hou van je. We hielden elkaar vast. Maar ik weet niet of het gezegd heb. Nu zie ik dat wij niet spreken, als kinderen, dat wij samen meemaakten, samen beleefden, maar dat we onze woorden voor onszelf houden. En dat als wij spreken, dan spreken wij in de verleden tijd, waar ons gevoel niet langer blootligt. Daar waar de woorden al zijn geweest, al voorbij zijn. Terwijl spreken zou moeten betekenen: in openheid te raken en geraakt te worden.
(6) We komen weer samen op zijn sterfdag. Zijn moeder is er, mijn moeder is er. Vader is er. Zijn vriendin en mijn vriendin. Uit het web van personen dat onze familie is, ben ik als enige kind aanwezig. De woonkamer is overwegend wit of gebroken wit. In de aangrenzende kamer staat een éénpersoonsbed, waarin zijn moeder slaapt. Ze heeft guanabana-sap gekocht omdat Alexander die altijd dronk. Iemand vroeg me hoe de moeder het verdriet draagt. Dat hoor je niet te vragen, denk ik, want de moeder draagt het verdriet. In het atelier ligt een dik boek met borduurpatronen voor Parijse mode rond 1900. Sommige tekeningen zijn uitvergrotingen van draad. Met bewondering kijk ik naar de complexe patronen. Maar het lukt me niet te begrijpen wat die draden met Alex te maken hebben. Ergens schrijft Martin Buber: je kan de wereld niet begrijpen, dus je moet de wereld niet begrijpen; je moet leren de wereld te omarmen. |
(1) Zijn moeder heeft gevraagd om het dakje van haar schuur te vervangen en om de pergola te herstellen. De weg door het huis is als altijd: portiek, trap op, deur open, gang door, trap af, gang door, tuindeur. Op weg naar buiten controleer ik of er tekeningetjes, foto’s of schilderijen aan de muren zijn vervangen door nieuwe. Beneden in de vensterbank staat een klein beeldje dat er ook stond toen ze vorig jaar haar verjaardag vierde. Een jongen met een capuchon zit gebogen op de schoot van een vrouw met geschrokken ogen en een rode bril. Aan de muur naast de tuindeur hangen bordjes. Op één van de bordjes staat: plus je connais les hommes, plus j’aime les chiens. Als ik tijdens het werken naar het grasveldje naast het schuurtje kijk, vraag ik me af of het vroeger groter was toen we hier paaltjesvoetbal speelden. Het atelier hangt vol met tekeningen van borduursels en textiel. De getekende draden en patronen zijn uitgeknipt en over elkaar heengelegd. Ze vormen daarmee de basis voor nieuwe tekeningen. In het jaar van zijn dood exposeerde ze met een aantal werken in de Oosterkerk, vlakbij het Scheepvaartmuseum. Ze had met krijt gekleurde breigaren getekend en uitgeknipt. Ook had ze een deken getekend met manen en sterren erop. De tekening was uitgeknipt en op de bodem van de kerkvloer gelegd. Als je goed keek, zag je een opgekruld lichaam onder de deken liggen. Later maakte ze van die tekening een vierkante kaart. Pietà stond er met gouden draad geborduurd tussen de manen en sterren. “Is ze blij met wat we gemaakt hebben?” vraagt mijn collega. Hij kan anderen goed inschatten, maar krijgt van haar geen hoogte. “Ja, ze vindt het mooi,” zeg ik.
(2) Soms zie ik hem als een samenvatting van wat onze familie is. Dat geheel van draden en ballast, waaruit hij als een explosie verdween. Soms zie ik hem als het treurige gevolg ervan. Hij was een jaar dood en omdat hij dood was, moesten we samenkomen. Bij een broodzaak aan de gracht is geregeld dat er die week een speciale Alexander-tosti wordt geserveerd met kimchi. Ik wil niet in de ruimte zijn en ik wil geen tosti’s met kimchi eten. Ik denk aan de dagen dat ik helemaal niet at, alleen maar dronk. Ik neem Narayana onder mijn jas en samen kijken we buiten naar de fietsers. De vermoeiing komt in fases. Ik vraag mezelf of ik moet leren accepteren dat ik nu kreupel ben, sinds de dood van mijn broer. Ik ben bang dat ik zwakker ben gebouwd dan anderen, door de mate waarin het verdriet mij verstoort. Worstel, roept het, worstel en kom boven.
(3) “Wat is hij mager,” zegt de vader als hij het naakte lichaam van zijn dode zoon bekijkt. Zijn moeder vond hem die ochtend opgekruld onder de deken, maar de politie heeft hem na haar onderzoek rechtgelegd. Het dekbed waaronder hij lag, herken ik uit zijn kinderkamer. Het is een donker met manen en zonnen en sterren erop. Ook op de muren van zijn oude kinderkamer waren sterren en manen en zonnen geschilderd, maar tegen een lichtblauwe achtergrond.
(4) Voor ik aankwam, had ik al veel gedronken. We zaten onder de pergola om het over zijn zelfmoordpogingen te hebben. Alex zat aan de kant van het atelier. Ik kan me niet herinneren wat ik zei, maar ik was boos. Later beweerden we dat we hem zouden steunen als hij alsnog dood zou willen. Maar onze cultuur is er helemaal niet één van het schikken naar de ander, meer van doen wat je zelf belangrijk vindt. En als je dan schikt, dan onder voorwaarden. In de weken na die eerste poging probeerde ik hem te betrekken in het werk dat ik deed. Omdat hij niet verschenen was op de afgesproken tijd, klopte ik aan bij zijn kamer en ging binnen. “Het geeft niet,” zei ik, “als je er zo om tien bent, dan is alles goed.” Rond half elf zag ik hem zijn huis uitgaan om de hond uit te laten. Ik vroeg wat hij ging doen en waarom hij er nog niet was. “Ik heb geen ja gezegd op wat je zei,” zei hij. In die zin klopte dat, dacht ik. Hij had helemaal niets gezegd.
(5) Op de terugweg van Berlijn had ik niet kunnen slapen. Ergens in die periode was er een gesprek in de tuin. Het ging over intimiteit. Iets van je binnenste delen met de ander, leken ze het met elkaar eens te zijn. En in stilte samen zijn en voor je uit staren? vroeg ik me toen af. Hij zat in een zwarte hoodie in zijn éénpersoonsbed. “Wat doe je?” vroeg hij, omdat ik hem hulpeloos betraand aankeek. Ik had geen idee wat ik mijn broer kon zeggen nadat hij zelfmoord had willen plegen. Behalve misschien ik hou van je. We hielden elkaar vast. Maar ik weet niet of het gezegd heb. Nu zie ik dat wij niet spreken, als kinderen, dat wij samen meemaakten, samen beleefden, maar dat we onze woorden voor onszelf houden. En dat als wij spreken, dan spreken wij in de verleden tijd, waar ons gevoel niet langer blootligt. Daar waar de woorden al zijn geweest, al voorbij zijn. Terwijl spreken zou moeten betekenen: in openheid te raken en geraakt te worden.
(6) We komen weer samen op zijn sterfdag. Zijn moeder is er, mijn moeder is er. Vader is er. Zijn vriendin en mijn vriendin. Uit het web van personen dat onze familie is, ben ik als enige kind aanwezig. De woonkamer is overwegend wit of gebroken wit. In de aangrenzende kamer staat een éénpersoonsbed, waarin zijn moeder slaapt. Ze heeft guanabana-sap gekocht omdat Alexander die altijd dronk. Iemand vroeg me hoe de moeder het verdriet draagt. Dat hoor je niet te vragen, denk ik, want de moeder draagt het verdriet. In het atelier ligt een dik boek met borduurpatronen voor Parijse mode rond 1900. Sommige tekeningen zijn uitvergrotingen van draad. Met bewondering kijk ik naar de complexe patronen. Maar het lukt me niet te begrijpen wat die draden met Alex te maken hebben. Ergens schrijft Martin Buber: je kan de wereld niet begrijpen, dus je moet de wereld niet begrijpen; je moet leren de wereld te omarmen. |