Ik zat met de soldeerkoning in het zonnetje bij Steff's op het Plein. 'Hoe voelt dat om koffie te drinken met iemand die zich binnenkort in een parallel universum bevindt?' vroeg mijn vriend en schunnige stoorzender. Ik durf nu wel 'vriend' te zeggen, hij is er straks toch niet meer. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk altijd koffie drink met iemand die zich aan gene zijde gaat bevinden. Ik zei dat ik in het licht van de eeuwigheid niet lang op me zou laten wachten. Ik wist niets beters te verzinnen. De enige troost die ik kon bieden was samen koffie drinken. Nu ik dit opschrijf bedenk ik dat hij via een omweg misschien wilde weten of wij elkaars vriendschap wel naar waarde hadden geschat en of ik hem zou gaan missen … Hij? Hem? Maar … hij is er toch nog? Waarom schrijf ik dan over hém en niet aan jou … ? Omdat ik net als jij, Ron, allergisch (bang, beschaamd) ben voor té directe en té grote woorden. Woorden zoals daar zijn: vriendschap, troost, missen. Zelfs op de valreep, voordat je er tussenuit knijpt, krijg je die bij mij niet uit de strot gewrongen. Alsof je daarop zit te wachten. Als er iemand wars is van sentimentaliteit dan ben jij het wel! We hebben elkaar destijds niet voor niets uit de meute geplukt. Toch kan ik om één zo'n zalvend rotwoord niet heen. Dankbaar. Voor hoe je mij geïnspireerd hebt, als kunstenaar en als – gadverdamme – mens. Hoe jij hebt leren leven met je jeugdtrauma's en daar chocola van hebt weten te maken zonder in het gevang of aan de drugs te zijn geraakt, inspireerde mij, als vriend en schrijver. Ik heb over niemand behalve mijzelf meer geschreven dan over jou. Mijn allereerste Meel was een door jou bestelde tekst voor een expo aan het strand. “Langs het plafond van het paviljoen scheren drie zwarte vogels van geperforeerd plaatmetaal. Voor de leek een soort enorme zwaluwen met pijlstaarten. Voor de kenner, van die vogels met zo’n rode keelzak. De maker ervan zal bij de kustbewoners genoegzaam bekend zijn. ‘Schrijf jij er anders even een stukkie over,’ verordonneerde hij. 'Maar niet iets dat ik niet meer over straat durf of dat de belasting gaat bellen.’ Zoals alle wezens uit zijn plaatstalen dierenrijk zitten ook deze vogels anatomisch lekker in hun vel. Levensecht schieten ze door het zwerk. Kom, hoe heten ze ook weer? ‘Vergatvogels,’ appte hij mij. Verhalen betreffende Moret schrijven zichzelf, moeten alleen nog even worden opgeschreven – door mij! – want hoe handig de kunstreus zich ook van het gesproken woord mag bedienen, een chimpansee schrijft correcter Nederlands, maar dat is een trap na, omdat ik wel eens jaloers ben op zijn kunst. Stel je voor dat hij ook nog kon schrijven!” Jaloers? Stinkend jaloers ben ik geweest! Niet zozeer op je beelden als wel op die autistische passie van je, dat allesverterende vuur waarbij dat van mij op een flakkerend waakvlammetje leek en waar ik je zó om benijdde, dat ik je soms liever niet had leren kennen. Maar altijd heb je mijn waakvlam lopen blaasbalgen, van zowel mijn geschilder als geschrijf, net zo lang tot ik mijn teksten serieus begon te nemen. Goeddeels dankzij jou is schilderen mijn ambacht geworden en schrijven mijn kunst, zodat ik mij eindelijk met jou kan meten. Ik ga je niet missen, zachte beuk, omdat ik je sinds ik je tegen het lijf liep niet had willen missen, nog steeds niet. Aan deze zin klopt helemaal niks en toch kan ik het gevoel dat je er straks niet meer bij bent niet beter verwoorden. Of? In De Gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren spreken twee broers af om elkaar na de dood ergens aan een riviertje in een kersenboogaard te ontmoeten. Hetgeen ook gebeurt. Ik ga je niet vragen om onder een bepaalde den in de duinen op mij te wachten. Mocht er een 'parallel universum' bestaan, dan zullen wij elkaar gewoon opnieuw herkennen, zoals wij elkaar in dit leven hebben herkend om elkaars leven leuker en daardoor dragelijk te maken. Het gaat zonder jou dan ook allemaal een stuk minder leuk worden. En het is al zo'n ongezellige kolerebende. Maar we gaan elkaar niet vergeten, we zijn geen vergatvogels! Koffie? Okt 2026 |
Meel 290 Fregatvogels
Ik zat met de soldeerkoning in het zonnetje bij Steff's op het Plein. 'Hoe voelt dat om koffie te drinken met iemand die zich binnenkort in een parallel universum bevindt?' vroeg mijn vriend en schunnige stoorzender. Ik durf nu wel 'vriend' te zeggen, hij is er straks toch niet meer. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk altijd koffie drink met iemand die zich aan gene zijde gaat bevinden. Ik zei dat ik in het licht van de eeuwigheid niet lang op me zou laten wachten. Ik wist niets beters te verzinnen. De enige troost die ik kon bieden was samen koffie drinken. Nu ik dit opschrijf bedenk ik dat hij via een omweg misschien wilde weten of wij elkaars vriendschap wel naar waarde hadden geschat en of ik hem zou gaan missen … Hij? Hem? Maar … hij is er toch nog? Waarom schrijf ik dan over hém en niet aan jou … ? Omdat ik net als jij, Ron, allergisch (bang, beschaamd) ben voor té directe en té grote woorden. Woorden zoals daar zijn: vriendschap, troost, missen. Zelfs op de valreep, voordat je er tussenuit knijpt, krijg je die bij mij niet uit de strot gewrongen. Alsof je daarop zit te wachten. Als er iemand wars is van sentimentaliteit dan ben jij het wel! We hebben elkaar destijds niet voor niets uit de meute geplukt. Toch kan ik om één zo'n zalvend rotwoord niet heen. Dankbaar. Voor hoe je mij geïnspireerd hebt, als kunstenaar en als – gadverdamme – mens. Hoe jij hebt leren leven met je jeugdtrauma's en daar chocola van hebt weten te maken zonder in het gevang of aan de drugs te zijn geraakt, inspireerde mij, als vriend en schrijver. Ik heb over niemand behalve mijzelf meer geschreven dan over jou. Mijn allereerste Meel was een door jou bestelde tekst voor een expo aan het strand. “Langs het plafond van het paviljoen scheren drie zwarte vogels van geperforeerd plaatmetaal. Voor de leek een soort enorme zwaluwen met pijlstaarten. Voor de kenner, van die vogels met zo’n rode keelzak. De maker ervan zal bij de kustbewoners genoegzaam bekend zijn. ‘Schrijf jij er anders even een stukkie over,’ verordonneerde hij. 'Maar niet iets dat ik niet meer over straat durf of dat de belasting gaat bellen.’ Zoals alle wezens uit zijn plaatstalen dierenrijk zitten ook deze vogels anatomisch lekker in hun vel. Levensecht schieten ze door het zwerk. Kom, hoe heten ze ook weer? ‘Vergatvogels,’ appte hij mij. Verhalen betreffende Moret schrijven zichzelf, moeten alleen nog even worden opgeschreven – door mij! – want hoe handig de kunstreus zich ook van het gesproken woord mag bedienen, een chimpansee schrijft correcter Nederlands, maar dat is een trap na, omdat ik wel eens jaloers ben op zijn kunst. Stel je voor dat hij ook nog kon schrijven!” Jaloers? Stinkend jaloers ben ik geweest! Niet zozeer op je beelden als wel op die autistische passie van je, dat allesverterende vuur waarbij dat van mij op een flakkerend waakvlammetje leek en waar ik je zó om benijdde, dat ik je soms liever niet had leren kennen. Maar altijd heb je mijn waakvlam lopen blaasbalgen, van zowel mijn geschilder als geschrijf, net zo lang tot ik mijn teksten serieus begon te nemen. Goeddeels dankzij jou is schilderen mijn ambacht geworden en schrijven mijn kunst, zodat ik mij eindelijk met jou kan meten. Ik ga je niet missen, zachte beuk, omdat ik je sinds ik je tegen het lijf liep niet had willen missen, nog steeds niet. Aan deze zin klopt helemaal niks en toch kan ik het gevoel dat je er straks niet meer bij bent niet beter verwoorden. Of? In De Gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren spreken twee broers af om elkaar na de dood ergens aan een riviertje in een kersenboogaard te ontmoeten. Hetgeen ook gebeurt. Ik ga je niet vragen om onder een bepaalde den in de duinen op mij te wachten. Mocht er een 'parallel universum' bestaan, dan zullen wij elkaar gewoon opnieuw herkennen, zoals wij elkaar in dit leven hebben herkend om elkaars leven leuker en daardoor dragelijk te maken. Het gaat zonder jou dan ook allemaal een stuk minder leuk worden. En het is al zo'n ongezellige kolerebende. Maar we gaan elkaar niet vergeten, we zijn geen vergatvogels! Koffie? Okt 2026 |