(1) Ik ben het kind, zegt het kind, pas net ben ik uit de dood ontwaakt om deze wereld te betreden. Vertel mij, moeder, vertel mij, vader, naar welk licht zal ik groeien? Welke aarde zal mij voeden opdat ik net zo ben als jullie, net zo ben als jij? Ik ben het kind, zegt het kind, van mij is de tuin, voor mij zijn de zonnestralen in de morgen. Mijn vader slaapt beneden en mijn moeder slaapt naast mij. Mijn broers en zussen slapen op hun kamers. Ik klim van mijn bed het trapje af, buig mij over de verf die bladdert in de vensterbank. Ik ben het kind, zegt het kind, rubberbanden strelen de straatstenen deze morgen terwijl mijn vader zich opmaakt om het huis te verlaten, zijn hemd en korte broek aantrekt, om twaalf minuten voor zeven de deur opent en zijn tocht naar het zwembad inzet.
(2) Na die zomer zou alles uit elkaar spatten, maar op dat moment zaten we nog aan de witte, plastic tuintafel in de hitte van Zuid-Frankrijk. Daarna zaten we op het bankje in de tuinkamer, vertel ik, mijn broers, mijn zussen en ik. Vijf kinderen op het bankje in de tuinkamer. Vóór in de gang herres en politie. – Heb je de anderen nooit gevraagd wat er die avond gebeurd is, vraagt hij. Nee, denk ik. Ik heb nooit bedacht dat ik dat kon vragen: wij waren daar samen, dus wij maakten toch hetzelfde mee?
(3) Dus ik zei haar: er is een plek waar ik vandaan kom. Een huis met een diepe tuin achter een witte gevel. Een huis bij het groene water. Het huis bleef, maar de mensen gingen weg. En wij bleven, met de ellebogen in de vensterbank. Met de kristallen op de ruiten. Dat was mijn kamer, zeg ik vanaf de brug – daar sliep mijn moeder – en daar keken we samen van het dak naar beneden. Hier stond de dikke boom die schaduwen legde over het huis in de morgen als de zon kwam om ons te begroeten, dat is: mij te begroeten, want telkens als ik wakker werd, was ik alleen in de oranje kamer. Ik kruip mijn broer na, het dak op, over de houten lat van zijn kamer, vanaf het ingesloten dakterras naast het kleine keukentje boven, bovenop Piebes kamer, dan een sprong over de dood naar Jokes dak, maar we springen – vanaf hier zijn we veilig, we staan op het platte dak en kijken uit over de stad. Dus ik zei haar: er is een plek waar ik vandaan kom. En ook hij kwam daarvandaan. Wij behoorden tot dezelfde groep. Waarop zij zei: dat je gehecht bent, betekent niet dat je goed bent gehecht.
(4) Frater, fratris, maculine noun [cf. Sanksrit bhratar, Greek frater] a son of the same father or mother, brother. Daar ligt mijn broer, zegt het kind, naakt op ons dak, naakt zoals hij werd geboren onder deze verre sterren. Ik ben het kind, zegt het kind, en mijn broer denkt onder de sterren bovenop het dak en hij denkt aan oneindigheid. Ik ben het kind, zegt het kind, en ik zie de engelen op de dakrand, ik zie, ik zie wat jij niet ziet, de engelen en hun benen over de rand van het dak naast mijn broer die denkt. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de engelen. Daar ligt mijn broer, zegt het kind, ver verwijderd van wat de vader zegt, hij ligt op het dak en denkt onder de sterren aan oneindigheid. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de kinderen Daar ligt mijn broer, zegt het kind, mijn broer die niet lacht aan tafel omdat hij ligt op het dak onder de sterren en denkt aan oneindigheid en zegt: Je mag mij liefde geven Maar geef mij niet je gedachtes Want ik heb mijn eigen gedachtes
(5) Daar ligt mijn broer. Moet ik je oproepen of niet, nu je niet meer beweegt? Neemt het dode lichaam die woorden nog op, zoals de comateuze patiënt die stiekem meeluistert met de muziek? In the full present, the past loses its burden, zegt Krishnamurti. Nog niet voor deze zieke man, denk ik. Terwijl ik mijn muziek luister, sluit ik mijn ogen en kijk ik naar je. Niet voor die zieke man, denk ik. En als ik probeer om te kijken in de leegte - of probeer om niet om te kijken - lijkt het of wat achter mij ligt, mij van binnenuit inhaalt en mij woordeloos de diepte insleurt, waar jij al ligt, dus waar ik jou tegenkom. Nu spreek ik hoopvol mijn woorden uit, op zoek naar de borst van mijn moeder. Hoopvol dat ik daar opnieuw de wind tussen de gordijnen zal vinden. Hoopvol dat er vóór de grote nacht een plek was waar mijn lichaam zei: voor mij is de wereld.
(6) In die vroege jaren leerde ik: er is een heelheid die kan breken. En elke volgende heelheid die zich aandiende, droeg die belofte in zich: ik ben heel nu, maar op een dag ben ik gebroken. Maar ik had nog niet geleerd dat ik zelf kon breken.
(7) Ik zou kunnen zeggen: mijn wereld was een vaas. En in die vaas lagen de barsten al besloten. Niet voorbestemd, maar zo gelopen. Voor ieder een eigen barst. De vaas valt. En haar val is in slow motion. Als het lichaam van mijn broer dat ik telkens zie vallen. Naast een brandende zon of op de rand van het dak. Mijn lichaam wordt door de aarde naar haar oppervlak getrokken. Maar vóór de landing houd ik vast aan dat wat ik nog heb: een onveranderde wereld. Jusqu’à ici tout va bien.
(8) Ik ben het kind, zegt het kind, en ik maak het object om je te tonen, ik vertel het verhaal opdat je luistert, ik spreek de woorden opdat je weer naast me zit in deze morgen, me omarmt met het antwoord van je ogen, zoals je toen nooit naast me zat. Ik ben het kind, zegt het kind, ik ben een gebroken deel van wat de heelheid was. – Zo was het leven, zegt de broer. Zo is het leven, zegt het kind, en de heelheid roept me als een schoot, de groene dagen en de zachte regen tegen het schuine raam. Ik ben het kind, zegt het kind, en mijn lichaam reikt terug. – Opdat het stopt met reiken, zegt de broer. Opdat ik stop met reiken, zegt het kind, en mijn armen waren lang en mijn woorden waren kort, maar mijn reikend lichaam roept: wat als alles anders was? Wat als de heelheid wordt ontbroken? – Wat als de heelheid wordt geheeld, zegt de broer, wat als alleen weer terug naar samen gaat? Het lichaam reikt terug en jij reikt het achterna. – Ik ben de broer, zegt de broer, ook naar mij heb jij gereikt, ik heb je horen zingen, broertje, in de dagen dat ik naast je zat, ik heb je horen zingen terwijl je afdaalde in het water, zoekend zakte opdat je mij vond, zakte tot het water aan je lippen stond, zingend zei: al is het hier dat ik je moet vinden, broer, ik toon je dat ik je vond. Ik heb voor je gezongen, zegt het kind, ik heb naar je gezocht in alle duisternis, ik telde de treden, alle treden van de trap, hoewel ik je niet hoorde, hoewel ik je niet sprak, en ik heb je gevonden daar, op de bodem van het gat, in een dun laagje water, een glinsterende duisternis, en opnieuw werd de trap door mij betreden, zonder dat ik naar je omzag, opnieuw betrad ik de kamer, waar je lusteloos had gelegen, waar je nu, nog steeds, levenloos lag. Ik bezocht je op de daken, ik bezocht je in de nacht, mijn zang als broodkruimels achterlatend, de appelbloesem wit, de bleke woorden blauw in het water van mijn gracht.
(9) Ze zeggen dan: je hebt goed hechten en je hebt slecht. Evengoed ben je gehecht, evengoed scheurt de aarde naast je open, bloedt de zon haar stralen in wat achterbleef. |
(1) Ik ben het kind, zegt het kind, pas net ben ik uit de dood ontwaakt om deze wereld te betreden. Vertel mij, moeder, vertel mij, vader, naar welk licht zal ik groeien? Welke aarde zal mij voeden opdat ik net zo ben als jullie, net zo ben als jij? Ik ben het kind, zegt het kind, van mij is de tuin, voor mij zijn de zonnestralen in de morgen. Mijn vader slaapt beneden en mijn moeder slaapt naast mij. Mijn broers en zussen slapen op hun kamers. Ik klim van mijn bed het trapje af, buig mij over de verf die bladdert in de vensterbank. Ik ben het kind, zegt het kind, rubberbanden strelen de straatstenen deze morgen terwijl mijn vader zich opmaakt om het huis te verlaten, zijn hemd en korte broek aantrekt, om twaalf minuten voor zeven de deur opent en zijn tocht naar het zwembad inzet.
(2) Na die zomer zou alles uit elkaar spatten, maar op dat moment zaten we nog aan de witte, plastic tuintafel in de hitte van Zuid-Frankrijk. Daarna zaten we op het bankje in de tuinkamer, vertel ik, mijn broers, mijn zussen en ik. Vijf kinderen op het bankje in de tuinkamer. Vóór in de gang herres en politie. – Heb je de anderen nooit gevraagd wat er die avond gebeurd is, vraagt hij. Nee, denk ik. Ik heb nooit bedacht dat ik dat kon vragen: wij waren daar samen, dus wij maakten toch hetzelfde mee?
(3) Dus ik zei haar: er is een plek waar ik vandaan kom. Een huis met een diepe tuin achter een witte gevel. Een huis bij het groene water. Het huis bleef, maar de mensen gingen weg. En wij bleven, met de ellebogen in de vensterbank. Met de kristallen op de ruiten. Dat was mijn kamer, zeg ik vanaf de brug – daar sliep mijn moeder – en daar keken we samen van het dak naar beneden. Hier stond de dikke boom die schaduwen legde over het huis in de morgen als de zon kwam om ons te begroeten, dat is: mij te begroeten, want telkens als ik wakker werd, was ik alleen in de oranje kamer. Ik kruip mijn broer na, het dak op, over de houten lat van zijn kamer, vanaf het ingesloten dakterras naast het kleine keukentje boven, bovenop Piebes kamer, dan een sprong over de dood naar Jokes dak, maar we springen – vanaf hier zijn we veilig, we staan op het platte dak en kijken uit over de stad. Dus ik zei haar: er is een plek waar ik vandaan kom. En ook hij kwam daarvandaan. Wij behoorden tot dezelfde groep. Waarop zij zei: dat je gehecht bent, betekent niet dat je goed bent gehecht.
(4) Frater, fratris, maculine noun [cf. Sanksrit bhratar, Greek frater] a son of the same father or mother, brother. Daar ligt mijn broer, zegt het kind, naakt op ons dak, naakt zoals hij werd geboren onder deze verre sterren. Ik ben het kind, zegt het kind, en mijn broer denkt onder de sterren bovenop het dak en hij denkt aan oneindigheid. Ik ben het kind, zegt het kind, en ik zie de engelen op de dakrand, ik zie, ik zie wat jij niet ziet, de engelen en hun benen over de rand van het dak naast mijn broer die denkt. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de engelen. Daar ligt mijn broer, zegt het kind, ver verwijderd van wat de vader zegt, hij ligt op het dak en denkt onder de sterren aan oneindigheid. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de kinderen Daar ligt mijn broer, zegt het kind, mijn broer die niet lacht aan tafel omdat hij ligt op het dak onder de sterren en denkt aan oneindigheid en zegt: Je mag mij liefde geven Maar geef mij niet je gedachtes Want ik heb mijn eigen gedachtes
(5) Daar ligt mijn broer. Moet ik je oproepen of niet, nu je niet meer beweegt? Neemt het dode lichaam die woorden nog op, zoals de comateuze patiënt die stiekem meeluistert met de muziek? In the full present, the past loses its burden, zegt Krishnamurti. Nog niet voor deze zieke man, denk ik. Terwijl ik mijn muziek luister, sluit ik mijn ogen en kijk ik naar je. Niet voor die zieke man, denk ik. En als ik probeer om te kijken in de leegte - of probeer om niet om te kijken - lijkt het of wat achter mij ligt, mij van binnenuit inhaalt en mij woordeloos de diepte insleurt, waar jij al ligt, dus waar ik jou tegenkom. Nu spreek ik hoopvol mijn woorden uit, op zoek naar de borst van mijn moeder. Hoopvol dat ik daar opnieuw de wind tussen de gordijnen zal vinden. Hoopvol dat er vóór de grote nacht een plek was waar mijn lichaam zei: voor mij is de wereld.
(6) In die vroege jaren leerde ik: er is een heelheid die kan breken. En elke volgende heelheid die zich aandiende, droeg die belofte in zich: ik ben heel nu, maar op een dag ben ik gebroken. Maar ik had nog niet geleerd dat ik zelf kon breken.
(7) Ik zou kunnen zeggen: mijn wereld was een vaas. En in die vaas lagen de barsten al besloten. Niet voorbestemd, maar zo gelopen. Voor ieder een eigen barst. De vaas valt. En haar val is in slow motion. Als het lichaam van mijn broer dat ik telkens zie vallen. Naast een brandende zon of op de rand van het dak. Mijn lichaam wordt door de aarde naar haar oppervlak getrokken. Maar vóór de landing houd ik vast aan dat wat ik nog heb: een onveranderde wereld. Jusqu’à ici tout va bien.
(8) Ik ben het kind, zegt het kind, en ik maak het object om je te tonen, ik vertel het verhaal opdat je luistert, ik spreek de woorden opdat je weer naast me zit in deze morgen, me omarmt met het antwoord van je ogen, zoals je toen nooit naast me zat. Ik ben het kind, zegt het kind, ik ben een gebroken deel van wat de heelheid was. – Zo was het leven, zegt de broer. Zo is het leven, zegt het kind, en de heelheid roept me als een schoot, de groene dagen en de zachte regen tegen het schuine raam. Ik ben het kind, zegt het kind, en mijn lichaam reikt terug. – Opdat het stopt met reiken, zegt de broer. Opdat ik stop met reiken, zegt het kind, en mijn armen waren lang en mijn woorden waren kort, maar mijn reikend lichaam roept: wat als alles anders was? Wat als de heelheid wordt ontbroken? – Wat als de heelheid wordt geheeld, zegt de broer, wat als alleen weer terug naar samen gaat? Het lichaam reikt terug en jij reikt het achterna. – Ik ben de broer, zegt de broer, ook naar mij heb jij gereikt, ik heb je horen zingen, broertje, in de dagen dat ik naast je zat, ik heb je horen zingen terwijl je afdaalde in het water, zoekend zakte opdat je mij vond, zakte tot het water aan je lippen stond, zingend zei: al is het hier dat ik je moet vinden, broer, ik toon je dat ik je vond. Ik heb voor je gezongen, zegt het kind, ik heb naar je gezocht in alle duisternis, ik telde de treden, alle treden van de trap, hoewel ik je niet hoorde, hoewel ik je niet sprak, en ik heb je gevonden daar, op de bodem van het gat, in een dun laagje water, een glinsterende duisternis, en opnieuw werd de trap door mij betreden, zonder dat ik naar je omzag, opnieuw betrad ik de kamer, waar je lusteloos had gelegen, waar je nu, nog steeds, levenloos lag. Ik bezocht je op de daken, ik bezocht je in de nacht, mijn zang als broodkruimels achterlatend, de appelbloesem wit, de bleke woorden blauw in het water van mijn gracht.
(9) Ze zeggen dan: je hebt goed hechten en je hebt slecht. Evengoed ben je gehecht, evengoed scheurt de aarde naast je open, bloedt de zon haar stralen in wat achterbleef. |