(1) We kijken samen naar de bliksem in het raam. Zoveel bliksem heb ik nog nooit gezien, zegt ze. En ze zegt: de bliksem zal altijd groter zijn dan wij. En ook ik denk: zoals het water en de kleur groen - we keken ernaar en zullen ernaar kijken.
(2) Hij zei: het verhaal van je vader en je broer, je moet ze samen vertellen, want ze zijn hetzelfde verhaal. Ik zeg: ik ben die verschillende personen, die zoon bij zijn vader, die broer bij zijn broers, allemaal ben ik ze, maar telkens ben ik er slechts één, en alleen die, als die ene God, die ook zo alleen lijkt te zijn steeds. Wiens verhaal was dat, die dood? Ik dacht eerst: het is zijn verhaal dat ik moet vertellen, want hij is mijn broer. Mijn hart vult zich met verlegenheid en verdriet.
(3) Na een lange dag werken zit ik achter een bord met eten. Het is nog licht en de dag was goed. Toch ben ik treurig. Dit keer is het niet een dode broer, denk ik, maar een levende. Hij roept, als riep hij op de trap: ik wil samen! Maar nu wij samen doen, lees ik in hem: samen voor jou, maar niet voor ons. Terwijl ik denk: als je iets samen wil doen, dan moet je anderen daar eerlijk in betrekken. Mijn wereld scheurt opnieuw die nacht. Een samenzijn dat breekt. De aanval toont mij beelden. Een foto hoe we in de zandbak zitten in de tuin, mijn broers en ik. Een foto van mijn moeder met zwarte haren nog - en haar altijd blauwe ogen. Als een foto, een beeld dat niet van mij is. En toch ook weer wel van mij. Een eerste opening naar een eerder ontoegankelijk verleden. Via de levende broer kwam ik bij de dode. En via daar kwam ik bij het kind. En bij het kind kom ik meestal niet. Als das Kind Kind war,
(4) Dus ik zei: er is een plek waar ik niet gaan kan, een plek van toen, die dag scheidt van nacht, die vóór scheidt van na.
(5) Ik sta weer op de rand van het dak. Ik wil dat mijn borst spreekt, eindelijk. Ik draai mij om en bekijk mijn eigen val. Mijn armen gespreid, als hoogmoed, of als overgave. Mijn vingers op zoek. Maar hoe meer ik zoek, de woorden, des te meer ze vallen, verder, terwijl mijn lichaam vertraagt en in de lucht tot stilstand komt. Vallen verder, de woorden, tot ze stukslaan op de kade, als verborgen stukjes stilte, tussen verborgen beelden en een stem die niet kan spreken. Als water dat ik niet kan lezen, kleurloos en zonder echo. Water vecht met water. Mijn lichaam met de tijd, met mij ertussenin. Maar met iedere aanval die mij neerslaat, voel ik: langzaam begin ik te zien. (6) Ik vertel haar: er is een huis aan het water, een huis aan de gracht. Het is het huis van mijn jeugd. Groen, wat houd ik van je groen, fluister ik - Wat woorden voor het witte huis en het water - (7) Alsof jij je eigen weg verloor: weg van ons in het donker. En wij weg van jou. Weg van de zorg die jij voor jezelf moest dragen, van de liefde die je in jezelf moest voeden. Verzand in het barre land, het brakke land, enkel te wekken door het water van de lente, door die dunne lentezon. En als je het raam dan eindelijk opende en als de zon en de lucht dan binnentraden, dan riep je misschien naar de vogels, dan zong misschien de wereld. Maar als de opwelling eenmaal vervaagde, of uitbleef eerder al, dan besefte je misschien: maar niemand roept naar mij. (8) Ik zei: ik zag je hangen, aan de voorkant van het huis, zag je hangen voor het raam, zag je vallen van het dak. Ik zei: kom bij me. Kom in mijn armen en ik draag je, leg je te liggen op het dak. Dat zei ik toen. Toen je al dood was, zei ik dat. Tegen de aarde en de bladeren. Zoals ik naast je zat die eerste keer en ook geen woorden had. Alleen maar wilde dat je wist: het is oké. Ik zei niet: ik wil niet dat je gaat. Ik wil dat je voor mij hier blijft. Omdat de liefde die ik leerde, was: een zorg voor je te dragen. Een zorg die mijn lichaam mij oplegt. Een zorg die een weg moest vormen, weg uit die gestoorde spanning in de tuinkamer beneden, een weg naar de muziek in mijn kamer, naar het licht dat speelt op het water van de gracht. (9) Alsof ik mijzelf moet vertellen: het is tijd terug te stappen in de grote nacht, tussen woorden die ik toen niet beheerste, in tranen die zich in mijn spieren hebben opgehoopt. Omdat ik mijn hart toen heb verloren in de droom dat iedereen weer zou samenkomen. Dat na ieder verloren jaar de gehoopte dag zou aanbreken, dat mijn moeder de kamer naast mij weer betrok, dat wij zouden zingen samen: wij zijn de kinderen die groot werden in deze tuin, dit is het huis dat voor ons de poort vormde naar een wijde, wijde wereld.
(10) Ik zie het kind, zegt het kind, het kleine kind, en als ik het kind zie, vult mijn lichaam zich met weemoed en met medelijden, zoals de aanwezigheid van mijn broer mij met weemoed vulde, mij in medelij bedekte. Hoeveel moet ik lijden om te mogen zeggen: ik leed? Hoe vaak moet ik zeggen: ik leed - om te mogen voelen dat ik dat was - niet enkel een voorstelling van een eigen, kleine versie van mijzelf, maar het lichaam dat ik nog steeds ben?
(11) Daar staat het kind en klein is het kind, zegt de broer, klein is het kind tussen de hand van zijn vader en zijn moeders blauwe ogen. De broers zeggen: wat wij hebben doorstaan, kan geen daglicht verdragen. En de zus zegt niets.
(12) We kijken naar de bliksem en ik denk: opdat mijn taal ook zo boven mij uitgroeit, tot iets dat groter is en waarbinnen ik mijzelf mag zien - als een waarheid. |
(1) We kijken samen naar de bliksem in het raam. Zoveel bliksem heb ik nog nooit gezien, zegt ze. En ze zegt: de bliksem zal altijd groter zijn dan wij. En ook ik denk: zoals het water en de kleur groen - we keken ernaar en zullen ernaar kijken.
(2) Hij zei: het verhaal van je vader en je broer, je moet ze samen vertellen, want ze zijn hetzelfde verhaal. Ik zeg: ik ben die verschillende personen, die zoon bij zijn vader, die broer bij zijn broers, allemaal ben ik ze, maar telkens ben ik er slechts één, en alleen die, als die ene God, die ook zo alleen lijkt te zijn steeds. Wiens verhaal was dat, die dood? Ik dacht eerst: het is zijn verhaal dat ik moet vertellen, want hij is mijn broer. Mijn hart vult zich met verlegenheid en verdriet.
(3) Na een lange dag werken zit ik achter een bord met eten. Het is nog licht en de dag was goed. Toch ben ik treurig. Dit keer is het niet een dode broer, denk ik, maar een levende. Hij roept, als riep hij op de trap: ik wil samen! Maar nu wij samen doen, lees ik in hem: samen voor jou, maar niet voor ons. Terwijl ik denk: als je iets samen wil doen, dan moet je anderen daar eerlijk in betrekken. Mijn wereld scheurt opnieuw die nacht. Een samenzijn dat breekt. De aanval toont mij beelden. Een foto hoe we in de zandbak zitten in de tuin, mijn broers en ik. Een foto van mijn moeder met zwarte haren nog - en haar altijd blauwe ogen. Als een foto, een beeld dat niet van mij is. En toch ook weer wel van mij. Een eerste opening naar een eerder ontoegankelijk verleden. Via de levende broer kwam ik bij de dode. En via daar kwam ik bij het kind. En bij het kind kom ik meestal niet. Als das Kind Kind war,
(4) Dus ik zei: er is een plek waar ik niet gaan kan, een plek van toen, die dag scheidt van nacht, die vóór scheidt van na.
(5) Ik sta weer op de rand van het dak. Ik wil dat mijn borst spreekt, eindelijk. Ik draai mij om en bekijk mijn eigen val. Mijn armen gespreid, als hoogmoed, of als overgave. Mijn vingers op zoek. Maar hoe meer ik zoek, de woorden, des te meer ze vallen, verder, terwijl mijn lichaam vertraagt en in de lucht tot stilstand komt. Vallen verder, de woorden, tot ze stukslaan op de kade, als verborgen stukjes stilte, tussen verborgen beelden en een stem die niet kan spreken. Als water dat ik niet kan lezen, kleurloos en zonder echo. Water vecht met water. Mijn lichaam met de tijd, met mij ertussenin. Maar met iedere aanval die mij neerslaat, voel ik: langzaam begin ik te zien. (6) Ik vertel haar: er is een huis aan het water, een huis aan de gracht. Het is het huis van mijn jeugd. Groen, wat houd ik van je groen, fluister ik - Wat woorden voor het witte huis en het water - (7) Alsof jij je eigen weg verloor: weg van ons in het donker. En wij weg van jou. Weg van de zorg die jij voor jezelf moest dragen, van de liefde die je in jezelf moest voeden. Verzand in het barre land, het brakke land, enkel te wekken door het water van de lente, door die dunne lentezon. En als je het raam dan eindelijk opende en als de zon en de lucht dan binnentraden, dan riep je misschien naar de vogels, dan zong misschien de wereld. Maar als de opwelling eenmaal vervaagde, of uitbleef eerder al, dan besefte je misschien: maar niemand roept naar mij. (8) Ik zei: ik zag je hangen, aan de voorkant van het huis, zag je hangen voor het raam, zag je vallen van het dak. Ik zei: kom bij me. Kom in mijn armen en ik draag je, leg je te liggen op het dak. Dat zei ik toen. Toen je al dood was, zei ik dat. Tegen de aarde en de bladeren. Zoals ik naast je zat die eerste keer en ook geen woorden had. Alleen maar wilde dat je wist: het is oké. Ik zei niet: ik wil niet dat je gaat. Ik wil dat je voor mij hier blijft. Omdat de liefde die ik leerde, was: een zorg voor je te dragen. Een zorg die mijn lichaam mij oplegt. Een zorg die een weg moest vormen, weg uit die gestoorde spanning in de tuinkamer beneden, een weg naar de muziek in mijn kamer, naar het licht dat speelt op het water van de gracht. (9) Alsof ik mijzelf moet vertellen: het is tijd terug te stappen in de grote nacht, tussen woorden die ik toen niet beheerste, in tranen die zich in mijn spieren hebben opgehoopt. Omdat ik mijn hart toen heb verloren in de droom dat iedereen weer zou samenkomen. Dat na ieder verloren jaar de gehoopte dag zou aanbreken, dat mijn moeder de kamer naast mij weer betrok, dat wij zouden zingen samen: wij zijn de kinderen die groot werden in deze tuin, dit is het huis dat voor ons de poort vormde naar een wijde, wijde wereld.
(10) Ik zie het kind, zegt het kind, het kleine kind, en als ik het kind zie, vult mijn lichaam zich met weemoed en met medelijden, zoals de aanwezigheid van mijn broer mij met weemoed vulde, mij in medelij bedekte. Hoeveel moet ik lijden om te mogen zeggen: ik leed? Hoe vaak moet ik zeggen: ik leed - om te mogen voelen dat ik dat was - niet enkel een voorstelling van een eigen, kleine versie van mijzelf, maar het lichaam dat ik nog steeds ben?
(11) Daar staat het kind en klein is het kind, zegt de broer, klein is het kind tussen de hand van zijn vader en zijn moeders blauwe ogen. De broers zeggen: wat wij hebben doorstaan, kan geen daglicht verdragen. En de zus zegt niets.
(12) We kijken naar de bliksem en ik denk: opdat mijn taal ook zo boven mij uitgroeit, tot iets dat groter is en waarbinnen ik mijzelf mag zien - als een waarheid. |