(1) Van de berg kwam ik beneden die dag, en ik wist niet wat ik zocht, ik wist niet dat ik zocht, kwam beneden van de berg en vond, niet omdat ik zocht, nee, ik vond, omdat het mijn lot was, en ik vond die dag mijn lot, mijn heden en mijn verleden en mijn toekomst, als woorden in een glas vond ik ze, de woorden: nu is het gelukt, als een waterglas dat zich over mijn natte oogleden uitlegt, wist ik: dit is wat ik dragen moet, want het is mijn lot. Het lot dat mijn broer moest dragen was: niet te hoeven wachten op een dood die niet komt.
(2) Als hij van buiten de keukendeur binnengaat, kijkt zijn dochter op, zonder hem te zien. “Wie is daar?” vraagt de grootmoeder met wijde ogen aan haar kleinkind. En als het kindje de vader ziet, waggelt ze naar hem toe, wordt opgetild en duwt haar glunderende neus in zijn schouder. Zie je wel, denk ik, het is hartstikke normaal voor een kind om naar een vader te verlangen.
(3) Broer, zegt het kind, ik ben het kind en hij is de vader en jij bent de broer die ligt op het dak. Vertel mij broer, die zo lang naar de sterren heeft gekeken, die zo vaak dacht aan oneindigheid: hoe zie ik de vader? Ik ben de vader, zegt de vader, van mij heb je er maar één, dus koester mij. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de kinderen.
(4) Dit is de vader, zegt de broer, terwijl hij naar de sterren kijkt, hij is de vader en jij bent het kind. Ik ben het kind, zegt het kind, en hij is de vader, dat is ons verschil – en het water is nat en de bladeren zijn groen – maar wat ik wilde, is dat hij mij aan de hand nam en wees: dit is de wereld en dit zijn onze plaatsen. Dat hij niet zei: ík ben de vader. Ik ben het kind, zegt het kind, en wat ik wenste, waren zijn armen als een huis dat mij bescherming biedt, zijn woorden als de ruiten die ’s nachts de wind buitenhouden, zijn hand de hand die niet landde op de oren van mijn broers, maar de hand waarover hij zei: Hier, eet uit deze hand, want jij bent het leven.
(5) In dat verleden las hij voor: uw kinderen zijn uw kinderen niet – en ontaardde in wanhoop. Hij stond op en duwde zijn ijsje ondersteboven in de witte tafel. Hoe kon dit zijn, dacht een kleine ik, mijn vader die nooit iets weggooit, verspilt nu nota bene zijn toetje.
(6) Maar in de zomer blijft het stil. Eindelijk beweeg ik me tot dat ene telefoongesprek, in de hoop dat je opneemt om me te woord te staan en me nu gerust te stellen – je neemt op en we praten. Ik je wil zeggen dat ik zo graag een kop thee bij je zou drinken om de beschutting te ontvangen die de oerman vader me zou moeten bieden. Maar ik hoor niks en ik zeg je niks, tot je vraagt of het gesprek over is, omdat je programma nu begint.
(7) In die donkere nachten wilde ik hem zeggen, zei ik hem in mij: waarom is mijn broer dood? Zie je niet dat het moeilijk is om liefde te lezen in dat wat jullie hadden aan contact?
(8) Broer, zeg ik, blijf bij me zoals je nooit was, want ik mis je nu.
(9) Een man is jong. Een vrouw is jonger. Een vrouw is zwanger. Een man trouwt een vrouw. Een vrouw krijgt een eerste kind. Een vrouw krijgt er nog vijf. Een man werkt. Een man is anders. Een man leeft zuinig. Een man wordt ouder. Een man slaat een vrouw. Een man slaat zijn kinderen. Een man doet dingen die wij niet mogen noemen. Een vrouw heeft hoofdpijn. Een vrouw vertrekt. Een man achtervolgt. Een man houdt aan. Een man wordt ouder. Een man wordt rijker. Een man krijgt nieuwe kansen. Een man maakt nieuwe kinderen. Het blonde kind is het nieuwe eerste kind. Het blonde kind is een wonderkind. Een man maakt een tweede kind. Een man heeft veel kinderen. Een vrouw heeft er twee. Een vrouw heeft er zes. Een man wordt ouder. Een man vindt nog een vrouw. Een vrouw vindt het goed. Een man en een vrouw en een vrouw wonen samen. Een man maakt kinderen. Een vrouw heeft drie kinderen. Een vrouw heeft twee kinderen. Een vrouw heeft er zes. Een man heeft veel kinderen. Een man slaat het blonde kind. Een man slaat soms een vrouw. Het blonde kind is niet langer wonderkind. De vrouwen gaan weg. Een man is alleen. Een man huilt. Een man trekt een sluier over de jaren. Een kind ziet. Een kind zwijgt. Een kind vergeet. Een man zegt: je moeder. Een man zegt: die kutwijven. Een kind ziet. Een kind hoort. Een kind is aanwezig. Een kind vraagt: waar is mijn moeder? Een kind vraagt: waar is mijn vader? Een kind verzoekt. Kom terug, moeder. Een kind verzoekt. Troost je, vader. Een kind ziet. Een man is anders. Een man is eenzaam. Een man is mijn vader.
(10) Hoewel en ondanks dat alles: dit is mijn linkerhand en dit mijn rechter-. Dit is wat ik heb. Misschien betekent vergeving wel: om opnieuw te kunnen zien wat mooi is, zonder te ont-zien wat pijn deed.
(11) Beneden kwam ik, die dag, van de berg beneden, abrupt als het einde van een lenteregen, ik kwam beneden en wist niets, geen uur, geen seizoen, geen voornaam, geen ogen had ik in mijn gezicht, geen oren aan mijn hoofd – ik kwam beneden van de berg en trof mijn broer, of: ik trof het vaartuig dat mijn broer geweest was – ik kwam beneden en ik riep zijn naam: broer! En: broer! En: broer! En ik wist niet wat ik vond, ik wist niet dat ik zocht, kwam beneden van de berg en vroeg: Als ik eenmaal val, vang je mij dan op? |
(1) Van de berg kwam ik beneden die dag, en ik wist niet wat ik zocht, ik wist niet dat ik zocht, kwam beneden van de berg en vond, niet omdat ik zocht, nee, ik vond, omdat het mijn lot was, en ik vond die dag mijn lot, mijn heden en mijn verleden en mijn toekomst, als woorden in een glas vond ik ze, de woorden: nu is het gelukt, als een waterglas dat zich over mijn natte oogleden uitlegt, wist ik: dit is wat ik dragen moet, want het is mijn lot. Het lot dat mijn broer moest dragen was: niet te hoeven wachten op een dood die niet komt.
(2) Als hij van buiten de keukendeur binnengaat, kijkt zijn dochter op, zonder hem te zien. “Wie is daar?” vraagt de grootmoeder met wijde ogen aan haar kleinkind. En als het kindje de vader ziet, waggelt ze naar hem toe, wordt opgetild en duwt haar glunderende neus in zijn schouder. Zie je wel, denk ik, het is hartstikke normaal voor een kind om naar een vader te verlangen.
(3) Broer, zegt het kind, ik ben het kind en hij is de vader en jij bent de broer die ligt op het dak. Vertel mij broer, die zo lang naar de sterren heeft gekeken, die zo vaak dacht aan oneindigheid: hoe zie ik de vader? Ik ben de vader, zegt de vader, van mij heb je er maar één, dus koester mij. Uw kinderen zijn uw kinderen niet, zingen de kinderen.
(4) Dit is de vader, zegt de broer, terwijl hij naar de sterren kijkt, hij is de vader en jij bent het kind. Ik ben het kind, zegt het kind, en hij is de vader, dat is ons verschil – en het water is nat en de bladeren zijn groen – maar wat ik wilde, is dat hij mij aan de hand nam en wees: dit is de wereld en dit zijn onze plaatsen. Dat hij niet zei: ík ben de vader. Ik ben het kind, zegt het kind, en wat ik wenste, waren zijn armen als een huis dat mij bescherming biedt, zijn woorden als de ruiten die ’s nachts de wind buitenhouden, zijn hand de hand die niet landde op de oren van mijn broers, maar de hand waarover hij zei: Hier, eet uit deze hand, want jij bent het leven.
(5) In dat verleden las hij voor: uw kinderen zijn uw kinderen niet – en ontaardde in wanhoop. Hij stond op en duwde zijn ijsje ondersteboven in de witte tafel. Hoe kon dit zijn, dacht een kleine ik, mijn vader die nooit iets weggooit, verspilt nu nota bene zijn toetje.
(6) Maar in de zomer blijft het stil. Eindelijk beweeg ik me tot dat ene telefoongesprek, in de hoop dat je opneemt om me te woord te staan en me nu gerust te stellen – je neemt op en we praten. Ik je wil zeggen dat ik zo graag een kop thee bij je zou drinken om de beschutting te ontvangen die de oerman vader me zou moeten bieden. Maar ik hoor niks en ik zeg je niks, tot je vraagt of het gesprek over is, omdat je programma nu begint.
(7) In die donkere nachten wilde ik hem zeggen, zei ik hem in mij: waarom is mijn broer dood? Zie je niet dat het moeilijk is om liefde te lezen in dat wat jullie hadden aan contact?
(8) Broer, zeg ik, blijf bij me zoals je nooit was, want ik mis je nu.
(9) Een man is jong. Een vrouw is jonger. Een vrouw is zwanger. Een man trouwt een vrouw. Een vrouw krijgt een eerste kind. Een vrouw krijgt er nog vijf. Een man werkt. Een man is anders. Een man leeft zuinig. Een man wordt ouder. Een man slaat een vrouw. Een man slaat zijn kinderen. Een man doet dingen die wij niet mogen noemen. Een vrouw heeft hoofdpijn. Een vrouw vertrekt. Een man achtervolgt. Een man houdt aan. Een man wordt ouder. Een man wordt rijker. Een man krijgt nieuwe kansen. Een man maakt nieuwe kinderen. Het blonde kind is het nieuwe eerste kind. Het blonde kind is een wonderkind. Een man maakt een tweede kind. Een man heeft veel kinderen. Een vrouw heeft er twee. Een vrouw heeft er zes. Een man wordt ouder. Een man vindt nog een vrouw. Een vrouw vindt het goed. Een man en een vrouw en een vrouw wonen samen. Een man maakt kinderen. Een vrouw heeft drie kinderen. Een vrouw heeft twee kinderen. Een vrouw heeft er zes. Een man heeft veel kinderen. Een man slaat het blonde kind. Een man slaat soms een vrouw. Het blonde kind is niet langer wonderkind. De vrouwen gaan weg. Een man is alleen. Een man huilt. Een man trekt een sluier over de jaren. Een kind ziet. Een kind zwijgt. Een kind vergeet. Een man zegt: je moeder. Een man zegt: die kutwijven. Een kind ziet. Een kind hoort. Een kind is aanwezig. Een kind vraagt: waar is mijn moeder? Een kind vraagt: waar is mijn vader? Een kind verzoekt. Kom terug, moeder. Een kind verzoekt. Troost je, vader. Een kind ziet. Een man is anders. Een man is eenzaam. Een man is mijn vader.
(10) Hoewel en ondanks dat alles: dit is mijn linkerhand en dit mijn rechter-. Dit is wat ik heb. Misschien betekent vergeving wel: om opnieuw te kunnen zien wat mooi is, zonder te ont-zien wat pijn deed.
(11) Beneden kwam ik, die dag, van de berg beneden, abrupt als het einde van een lenteregen, ik kwam beneden en wist niets, geen uur, geen seizoen, geen voornaam, geen ogen had ik in mijn gezicht, geen oren aan mijn hoofd – ik kwam beneden van de berg en trof mijn broer, of: ik trof het vaartuig dat mijn broer geweest was – ik kwam beneden en ik riep zijn naam: broer! En: broer! En: broer! En ik wist niet wat ik vond, ik wist niet dat ik zocht, kwam beneden van de berg en vroeg: Als ik eenmaal val, vang je mij dan op? |