snarf94
By snarf94
de dood van weer een dagNov 1, 2026condition sine qua nonJul 27, 20261000 bommen& granatenJul 12, 2026ikarosJun 7, 2026arachn´eMay 17, 2026april123May 3, 2026

de dood van weer een dag

Nov 1, 2026

Ramakrishna begon toen het beeld van de godin Kali als zijn moeder (…) te beschouwen. Soms weende hij urenlang (…) omdat hij zijn moeder niet zo volkomen kon zien als hij wenste. (…) Heel zijn ziel vloeide uit in een tranenvloed en hij riep de godin aan zich over hem te ontfermen en zich aan hem te openbaren. (…) [en hij] sprak: “moeder, oh mijn moeder, weer is een dag vergaan en nog heb ik u niet gevonden.”

*

Mijn broer was toen ouder dan ik. Op 23 april overleed hij. Hij at niet van de verboden appel, maar van een mix van dexamfetamine en barbituraten, die hij door een bak gele vla had geroerd. Wij hadden andere moeders, dus we waren halfbroers.

In de nacht dat mijn broer zijn vla at, was ik in Amsterdam. Ik schreef die nacht over de eerdere poging die mijn broer had ondernomen om zichzelf om te brengen. Het was voor het eerst dat ik zo uitgebreid over mijn eigen ervaringen schreef. Maar ik wist niet dat mijn broer die avond zijn vla at.

Het pad dat hij volgde, heeft hem niet naar het licht geleid. Hij dompelde zich onder in duisternis, waarin hij is verdwenen.

*

Dat je vla bent gaan kopen.
Dat je de barbituraten door de vla hebt geroerd.
Dat je happen hebt genomen met een lepel.
Dat de happen een andere smaak hadden dan de vla alleen.
Dat je het bakje hebt weggezet.
Dat je bent gaan liggen.
Dat je gedachtes had toen je lag.
Dat je de deken over jezelf heen hebt getrokken.
Dat je in slaap bent gevallen.
Dat je in je slaap nog hebt bewogen.

 

Vla, mijn broer, zegt Rodaan Al Galidi,
Ook ik tril in een koelkast, kouder dan die van jou.
Een koelkast zonder deur.

*

In het Oud Grieks betekent extase uit-treden.

Hij zegt: de extase is voorbij de taal en daarom is de extase niet in woorden te vatten. Want met de omzetting naar woorden wordt de extase verlaten, zijn we niet langer één in onszelf, maar zijn we de versplintering die zich naar buiten richt. 

En hij spreekt van God.
Een God die spreekt.
Een God die is.
Here, Here, roepen zij.
Maar ik roep mijn broer.

 

*

Ik zoek, want ik word geroepen uit de duisternis.
En mijn hand beweegt zich tot mijn oor.
En mijn vinger beweegt zich tot mijn lippen.
En vóórdat Orpheus zich tot waanzin drijft,
Zijn daar de voeten en de duisternis,
Door stilte omgeven.

 

*

Broer! Broer! probeer ik te roepen met een stem die naar stilte neigt.

Broer! roep ik als ik boven ben gekomen, aan de trap bedoel ik dan, broer! roept heel mij wezen, als ik in stilte in de deuropening sta, zie hoe mijn vader zijn zoon kust, zie hoe mijn broer naar muntjes zoekt, om op de ogen van zijn broertje te leggen, voor de overtocht.

Broer, fluister ik, als ik de treden hoogga, de treden van de trap zijn dat, totdat ik boven sta en met mijn vingers langs de muren ga, strijk met mijn ogen over de woorden “zachte heelmeesters maken stinkende wonden”, wat in wit krijt en sierlijke letters op een zwart stuk muur is geschreven, een mantra uit een andere fase, toen het nog niet gelukt was.

*

Daar sprak hij over het pad.
En ik dacht: het pad dat ik ging en te gaan heb.
Het pad dat hij ging door niet te gaan.

Hij sprak over de eenheid van de ziel.
De ziel die van zichzelf al één was en de ziel die van zichzelf verdeeld was.

Mijn ziel, dacht ik, verdeeld in stukjes op de keukenvloer, toen ik riep: never let me go!
Zijn ziel, dacht ik, waarin hij geen eenheid kreeg.

En hij sprak. En ik hoorde.
Nu wist ik dat ik niet gek meer was.
Nu wist ik dat iemand hetzelfde naar de dingen had gekeken.
En het voelde of ik oplichtte te midden van de mijnen.
Want ik zag dat ik anders was, dat mijn pad afweek van de andere paden.

Mijn pad is een ondeelbaar pad.
Ik kan haar begaan en achterlaten.
Ik kan haar bespreken met de nacht, maar niet met de ander, want de nacht ben ik zelf. 

Ik leerde: lichaam en geest en ziel zijn één maar ze zijn niet dezelfde.
Mijn verleden is van mijn lichaam, maar mijn ziel is van het nu.

*

Ik dacht dat ik die woorden sprak: jij en ik.
Ik dacht: als er is jij en als er is ik, dan zijn er wij.
Ik keek zo lang, dat het duister kleur gaf.
Met de engelen op het dak,
Met in de tuin groen gras,
Met in de zandbak onze lang begraven ogen.
Zo lang luisterde ik, dat de stilte riep.
Broer! En: broer! En: broer!
Maar naar wie je roept, is niet dichtbij.

*

Ik zei: nu denk ik te weten wat God is. Maar ik hoorde geen stem die met mij sprak. Alleen mijn eigen stem was er. Mijn stem, die haar lichaam nog niet gevonden had. Mijn stem, die mijn lichaam belicht nu ik weet, dat alleen ik mijn stem kan horen. Ik kan je mijn stem geven, ik laat je de woorden uit mijn diepte zien, maar de zachte woorden die ik zoek, zijn mijn eigen woorden, woorden om mij te troosten met de waarheid, om voorbij de woorden te komen, in het gebied waarin ik ben uitgetrild, uitgekrijst, waar ik niet wil spreken, waar ik één mag worden met de stilte, door de stilte te aanschouwen, en de ander. Daarom zei ik dat ik dacht te weten waar God huist, voorbij het trillen en de taal, in de stilte. In de stilte huist God. Want waar ik ophoud te bestaan, daar kan ik bestaan voor de ander.

 

*

Als ik binnenkom, is zijn huid al bleker.
Alsof ik de dood wederom voorvoelde, de avond ervoor.
Maar die dood loert al weken, rode ogen in het donker.
Oh, dikke broer, nu is je tijd gekomen!
Er is geen gesprek meer dan onze adem.
Geen gesprek meer dan onze huiden tegen de slaap gedrukt.
Het gesprek is tot aanwezigheid teruggebracht.
Maar ik kijk over de binnentuinen vanuit dit doodsbed.
Dan komt zij binnen en ik zie jullie begroeting.
Dit zal jullie laatste keer zijn.
Daar was dit afscheid toch zo traag en zoet, zo verdeeld over aanrakingen en uitwisseling.
Terwijl een ander afscheid zo stiekem was geweest en zo stil en ’s nachts.
Wie gaat, die gaat, niettemin.
En de afwezigheid die blijft, is het zoet uit een eerder leven,
Of het bitter uit die vroege lente.

*

Ik wist niet dat dit dode lichaam iets anders was dan water en aarde.

Ik kende de kracht niet van het hart, van de ziel, van het lichaam.

Wat een tegenspoed dat al deze tijd mijn leven verging zonder Jou!

Jij was ik en ik wist het niet.

snarf94

de dood van weer een dag

Nov 1, 2026

Ramakrishna begon toen het beeld van de godin Kali als zijn moeder (…) te beschouwen. Soms weende hij urenlang (…) omdat hij zijn moeder niet zo volkomen kon zien als hij wenste. (…) Heel zijn ziel vloeide uit in een tranenvloed en hij riep de godin aan zich over hem te ontfermen en zich aan hem te openbaren. (…) [en hij] sprak: “moeder, oh mijn moeder, weer is een dag vergaan en nog heb ik u niet gevonden.”

*

Mijn broer was toen ouder dan ik. Op 23 april overleed hij. Hij at niet van de verboden appel, maar van een mix van dexamfetamine en barbituraten, die hij door een bak gele vla had geroerd. Wij hadden andere moeders, dus we waren halfbroers.

In de nacht dat mijn broer zijn vla at, was ik in Amsterdam. Ik schreef die nacht over de eerdere poging die mijn broer had ondernomen om zichzelf om te brengen. Het was voor het eerst dat ik zo uitgebreid over mijn eigen ervaringen schreef. Maar ik wist niet dat mijn broer die avond zijn vla at.

Het pad dat hij volgde, heeft hem niet naar het licht geleid. Hij dompelde zich onder in duisternis, waarin hij is verdwenen.

*

Dat je vla bent gaan kopen.
Dat je de barbituraten door de vla hebt geroerd.
Dat je happen hebt genomen met een lepel.
Dat de happen een andere smaak hadden dan de vla alleen.
Dat je het bakje hebt weggezet.
Dat je bent gaan liggen.
Dat je gedachtes had toen je lag.
Dat je de deken over jezelf heen hebt getrokken.
Dat je in slaap bent gevallen.
Dat je in je slaap nog hebt bewogen.

 

Vla, mijn broer, zegt Rodaan Al Galidi,
Ook ik tril in een koelkast, kouder dan die van jou.
Een koelkast zonder deur.

*

In het Oud Grieks betekent extase uit-treden.

Hij zegt: de extase is voorbij de taal en daarom is de extase niet in woorden te vatten. Want met de omzetting naar woorden wordt de extase verlaten, zijn we niet langer één in onszelf, maar zijn we de versplintering die zich naar buiten richt. 

En hij spreekt van God.
Een God die spreekt.
Een God die is.
Here, Here, roepen zij.
Maar ik roep mijn broer.

 

*

Ik zoek, want ik word geroepen uit de duisternis.
En mijn hand beweegt zich tot mijn oor.
En mijn vinger beweegt zich tot mijn lippen.
En vóórdat Orpheus zich tot waanzin drijft,
Zijn daar de voeten en de duisternis,
Door stilte omgeven.

 

*

Broer! Broer! probeer ik te roepen met een stem die naar stilte neigt.

Broer! roep ik als ik boven ben gekomen, aan de trap bedoel ik dan, broer! roept heel mij wezen, als ik in stilte in de deuropening sta, zie hoe mijn vader zijn zoon kust, zie hoe mijn broer naar muntjes zoekt, om op de ogen van zijn broertje te leggen, voor de overtocht.

Broer, fluister ik, als ik de treden hoogga, de treden van de trap zijn dat, totdat ik boven sta en met mijn vingers langs de muren ga, strijk met mijn ogen over de woorden “zachte heelmeesters maken stinkende wonden”, wat in wit krijt en sierlijke letters op een zwart stuk muur is geschreven, een mantra uit een andere fase, toen het nog niet gelukt was.

*

Daar sprak hij over het pad.
En ik dacht: het pad dat ik ging en te gaan heb.
Het pad dat hij ging door niet te gaan.

Hij sprak over de eenheid van de ziel.
De ziel die van zichzelf al één was en de ziel die van zichzelf verdeeld was.

Mijn ziel, dacht ik, verdeeld in stukjes op de keukenvloer, toen ik riep: never let me go!
Zijn ziel, dacht ik, waarin hij geen eenheid kreeg.

En hij sprak. En ik hoorde.
Nu wist ik dat ik niet gek meer was.
Nu wist ik dat iemand hetzelfde naar de dingen had gekeken.
En het voelde of ik oplichtte te midden van de mijnen.
Want ik zag dat ik anders was, dat mijn pad afweek van de andere paden.

Mijn pad is een ondeelbaar pad.
Ik kan haar begaan en achterlaten.
Ik kan haar bespreken met de nacht, maar niet met de ander, want de nacht ben ik zelf. 

Ik leerde: lichaam en geest en ziel zijn één maar ze zijn niet dezelfde.
Mijn verleden is van mijn lichaam, maar mijn ziel is van het nu.

*

Ik dacht dat ik die woorden sprak: jij en ik.
Ik dacht: als er is jij en als er is ik, dan zijn er wij.
Ik keek zo lang, dat het duister kleur gaf.
Met de engelen op het dak,
Met in de tuin groen gras,
Met in de zandbak onze lang begraven ogen.
Zo lang luisterde ik, dat de stilte riep.
Broer! En: broer! En: broer!
Maar naar wie je roept, is niet dichtbij.

*

Ik zei: nu denk ik te weten wat God is. Maar ik hoorde geen stem die met mij sprak. Alleen mijn eigen stem was er. Mijn stem, die haar lichaam nog niet gevonden had. Mijn stem, die mijn lichaam belicht nu ik weet, dat alleen ik mijn stem kan horen. Ik kan je mijn stem geven, ik laat je de woorden uit mijn diepte zien, maar de zachte woorden die ik zoek, zijn mijn eigen woorden, woorden om mij te troosten met de waarheid, om voorbij de woorden te komen, in het gebied waarin ik ben uitgetrild, uitgekrijst, waar ik niet wil spreken, waar ik één mag worden met de stilte, door de stilte te aanschouwen, en de ander. Daarom zei ik dat ik dacht te weten waar God huist, voorbij het trillen en de taal, in de stilte. In de stilte huist God. Want waar ik ophoud te bestaan, daar kan ik bestaan voor de ander.

 

*

Als ik binnenkom, is zijn huid al bleker.
Alsof ik de dood wederom voorvoelde, de avond ervoor.
Maar die dood loert al weken, rode ogen in het donker.
Oh, dikke broer, nu is je tijd gekomen!
Er is geen gesprek meer dan onze adem.
Geen gesprek meer dan onze huiden tegen de slaap gedrukt.
Het gesprek is tot aanwezigheid teruggebracht.
Maar ik kijk over de binnentuinen vanuit dit doodsbed.
Dan komt zij binnen en ik zie jullie begroeting.
Dit zal jullie laatste keer zijn.
Daar was dit afscheid toch zo traag en zoet, zo verdeeld over aanrakingen en uitwisseling.
Terwijl een ander afscheid zo stiekem was geweest en zo stil en ’s nachts.
Wie gaat, die gaat, niettemin.
En de afwezigheid die blijft, is het zoet uit een eerder leven,
Of het bitter uit die vroege lente.

*

Ik wist niet dat dit dode lichaam iets anders was dan water en aarde.

Ik kende de kracht niet van het hart, van de ziel, van het lichaam.

Wat een tegenspoed dat al deze tijd mijn leven verging zonder Jou!

Jij was ik en ik wist het niet.