Ramakrishna begon toen het beeld van de godin Kali als zijn moeder (…) te beschouwen. Soms weende hij urenlang (…) omdat hij zijn moeder niet zo volkomen kon zien als hij wenste. (…) Heel zijn ziel vloeide uit in een tranenvloed en hij riep de godin aan zich over hem te ontfermen en zich aan hem te openbaren. (…) [en hij] sprak: “moeder, oh mijn moeder, weer is een dag vergaan en nog heb ik u niet gevonden.” * Mijn broer was toen ouder dan ik. Op 23 april overleed hij. Hij at niet van de verboden appel, maar van een mix van dexamfetamine en barbituraten, die hij door een bak gele vla had geroerd. Wij hadden andere moeders, dus we waren halfbroers. In de nacht dat mijn broer zijn vla at, was ik in Amsterdam. Ik schreef die nacht over de eerdere poging die mijn broer had ondernomen om zichzelf om te brengen. Het was voor het eerst dat ik zo uitgebreid over mijn eigen ervaringen schreef. Maar ik wist niet dat mijn broer die avond zijn vla at. Het pad dat hij volgde, heeft hem niet naar het licht geleid. Hij dompelde zich onder in duisternis, waarin hij is verdwenen. * Dat je vla bent gaan kopen.
Vla, mijn broer, zegt Rodaan Al Galidi, * In het Oud Grieks betekent extase uit-treden. Hij zegt: de extase is voorbij de taal en daarom is de extase niet in woorden te vatten. Want met de omzetting naar woorden wordt de extase verlaten, zijn we niet langer één in onszelf, maar zijn we de versplintering die zich naar buiten richt. En hij spreekt van God.
* Ik zoek, want ik word geroepen uit de duisternis.
* Broer! Broer! probeer ik te roepen met een stem die naar stilte neigt. Broer! roep ik als ik boven ben gekomen, aan de trap bedoel ik dan, broer! roept heel mij wezen, als ik in stilte in de deuropening sta, zie hoe mijn vader zijn zoon kust, zie hoe mijn broer naar muntjes zoekt, om op de ogen van zijn broertje te leggen, voor de overtocht. Broer, fluister ik, als ik de treden hoogga, de treden van de trap zijn dat, totdat ik boven sta en met mijn vingers langs de muren ga, strijk met mijn ogen over de woorden “zachte heelmeesters maken stinkende wonden”, wat in wit krijt en sierlijke letters op een zwart stuk muur is geschreven, een mantra uit een andere fase, toen het nog niet gelukt was. * Daar sprak hij over het pad. Hij sprak over de eenheid van de ziel. Mijn ziel, dacht ik, verdeeld in stukjes op de keukenvloer, toen ik riep: never let me go! En hij sprak. En ik hoorde. Mijn pad is een ondeelbaar pad. Ik leerde: lichaam en geest en ziel zijn één maar ze zijn niet dezelfde. * Ik dacht dat ik die woorden sprak: jij en ik. * Ik zei: nu denk ik te weten wat God is. Maar ik hoorde geen stem die met mij sprak. Alleen mijn eigen stem was er. Mijn stem, die haar lichaam nog niet gevonden had. Mijn stem, die mijn lichaam belicht nu ik weet, dat alleen ik mijn stem kan horen. Ik kan je mijn stem geven, ik laat je de woorden uit mijn diepte zien, maar de zachte woorden die ik zoek, zijn mijn eigen woorden, woorden om mij te troosten met de waarheid, om voorbij de woorden te komen, in het gebied waarin ik ben uitgetrild, uitgekrijst, waar ik niet wil spreken, waar ik één mag worden met de stilte, door de stilte te aanschouwen, en de ander. Daarom zei ik dat ik dacht te weten waar God huist, voorbij het trillen en de taal, in de stilte. In de stilte huist God. Want waar ik ophoud te bestaan, daar kan ik bestaan voor de ander.
* Als ik binnenkom, is zijn huid al bleker. * Ik wist niet dat dit dode lichaam iets anders was dan water en aarde. Ik kende de kracht niet van het hart, van de ziel, van het lichaam. Wat een tegenspoed dat al deze tijd mijn leven verging zonder Jou! Jij was ik en ik wist het niet. |
de dood van weer een dag
Ramakrishna begon toen het beeld van de godin Kali als zijn moeder (…) te beschouwen. Soms weende hij urenlang (…) omdat hij zijn moeder niet zo volkomen kon zien als hij wenste. (…) Heel zijn ziel vloeide uit in een tranenvloed en hij riep de godin aan zich over hem te ontfermen en zich aan hem te openbaren. (…) [en hij] sprak: “moeder, oh mijn moeder, weer is een dag vergaan en nog heb ik u niet gevonden.” * Mijn broer was toen ouder dan ik. Op 23 april overleed hij. Hij at niet van de verboden appel, maar van een mix van dexamfetamine en barbituraten, die hij door een bak gele vla had geroerd. Wij hadden andere moeders, dus we waren halfbroers. In de nacht dat mijn broer zijn vla at, was ik in Amsterdam. Ik schreef die nacht over de eerdere poging die mijn broer had ondernomen om zichzelf om te brengen. Het was voor het eerst dat ik zo uitgebreid over mijn eigen ervaringen schreef. Maar ik wist niet dat mijn broer die avond zijn vla at. Het pad dat hij volgde, heeft hem niet naar het licht geleid. Hij dompelde zich onder in duisternis, waarin hij is verdwenen. * Dat je vla bent gaan kopen.
Vla, mijn broer, zegt Rodaan Al Galidi, * In het Oud Grieks betekent extase uit-treden. Hij zegt: de extase is voorbij de taal en daarom is de extase niet in woorden te vatten. Want met de omzetting naar woorden wordt de extase verlaten, zijn we niet langer één in onszelf, maar zijn we de versplintering die zich naar buiten richt. En hij spreekt van God.
* Ik zoek, want ik word geroepen uit de duisternis.
* Broer! Broer! probeer ik te roepen met een stem die naar stilte neigt. Broer! roep ik als ik boven ben gekomen, aan de trap bedoel ik dan, broer! roept heel mij wezen, als ik in stilte in de deuropening sta, zie hoe mijn vader zijn zoon kust, zie hoe mijn broer naar muntjes zoekt, om op de ogen van zijn broertje te leggen, voor de overtocht. Broer, fluister ik, als ik de treden hoogga, de treden van de trap zijn dat, totdat ik boven sta en met mijn vingers langs de muren ga, strijk met mijn ogen over de woorden “zachte heelmeesters maken stinkende wonden”, wat in wit krijt en sierlijke letters op een zwart stuk muur is geschreven, een mantra uit een andere fase, toen het nog niet gelukt was. * Daar sprak hij over het pad. Hij sprak over de eenheid van de ziel. Mijn ziel, dacht ik, verdeeld in stukjes op de keukenvloer, toen ik riep: never let me go! En hij sprak. En ik hoorde. Mijn pad is een ondeelbaar pad. Ik leerde: lichaam en geest en ziel zijn één maar ze zijn niet dezelfde. * Ik dacht dat ik die woorden sprak: jij en ik. * Ik zei: nu denk ik te weten wat God is. Maar ik hoorde geen stem die met mij sprak. Alleen mijn eigen stem was er. Mijn stem, die haar lichaam nog niet gevonden had. Mijn stem, die mijn lichaam belicht nu ik weet, dat alleen ik mijn stem kan horen. Ik kan je mijn stem geven, ik laat je de woorden uit mijn diepte zien, maar de zachte woorden die ik zoek, zijn mijn eigen woorden, woorden om mij te troosten met de waarheid, om voorbij de woorden te komen, in het gebied waarin ik ben uitgetrild, uitgekrijst, waar ik niet wil spreken, waar ik één mag worden met de stilte, door de stilte te aanschouwen, en de ander. Daarom zei ik dat ik dacht te weten waar God huist, voorbij het trillen en de taal, in de stilte. In de stilte huist God. Want waar ik ophoud te bestaan, daar kan ik bestaan voor de ander.
* Als ik binnenkom, is zijn huid al bleker. * Ik wist niet dat dit dode lichaam iets anders was dan water en aarde. Ik kende de kracht niet van het hart, van de ziel, van het lichaam. Wat een tegenspoed dat al deze tijd mijn leven verging zonder Jou! Jij was ik en ik wist het niet. |