De vakantie zit er op. We rijden vanuit Normandië naar Schiphol. Mijn kinderen wonen in Helsinki. De buitentemperatuur is Afrikaans. Het eerste stuk gaat door maïsvelden, dorpjes en over tientallen rotondes. De temperatuurwijzer raakt het rood als ik geen snelheid houd. Van de air-conditioning doet maar tweeëneenhalf raam het. Mijn gemoed is afhankelijk van een wispelturig naaldje. Mijn kroost geeft geen krimp. In een file in Chitôle de Chèvre moet ik gas blijven geven om de koelvin draaiende te houden. 'Politiecontrole,' zegt mijn zoon. Toeristenafwerkplek. Ik zal Frankrijk wel nooit hebben mogen binnenrijden met een auto uit 1969, of een bekeuring omdat de veiligheidshesjes niet in de cabine maar in de kofferbak liggen. 'Ze hebben foto's van die vermiste vrouw waar we laatst brood kochten en in die kerk waren!' zegt mijn jongste. 'Kunnen ze die niet ergens anders zoeken?' vraagt haar zus. 'Precies! Terwijl wij hier verbranden, ligt zij gewoon met d'r buurman te voulez-vous-coucheeën.' Toch haal ik ook opgelucht adem: ik weet zo goed als zeker dat de vrouw niet in onze kofferbak ligt en het gaat geen geld kosten! Een door zijn vader geslagen en gekleineerde gendarme van de Franse Village People in kogelvrij vest gebiedt mij met zijn tennisracket haast te maken, alsof ík de boel ophoud. 'Wat een lul!' vloekt mijn middelste. 'Mmhhh, die snor ... ' dagdroomt mijn jongste (ook al weer 25!). Eindelijk maken we kilometers op een E20 nog wat. Terwijl de meiden flirten met vrachtwagenchauffeurs die mij met hun misthoorns hartverzakkingen bezorgen en mijn dochters een gierende slappe lach, overzie ik angstvallig de diepe glooiingen in het landschap waar we met de wijzer nog net in het groen in duiken en trillend in het rood weer uit kruipen. Wat doe ik de 'oude dame' aan, met dit weer, vier man op haar rug en een in de kofferbak? Bij een tankstation vul ik de bejaarde alcoholiste bij met haar lievelingsdrankje. Koelvloeistof lijkt ze vreemd genoeg niet echt te lusten, olie helemaal niet. Als ik de motorklep weer dicht wil doen, breekt er een schroef van een metaalmoedeloos scharnier. De klep kan niet meer dicht. Gestrand op een door Lucifer geregeerd oefenterrein voor de aanstaande apocalyps. Alle angst, alle lelijkheid, al ons egocentrisch gespartel en heel onze fatale distinctiedrift lijken zich te hebben samengebald bij deze wijselijk door God verlaten pitstop op weg naar de hel. Hoe dat ruikt? Naar benzine, pis, uitlaatgassen en onverteerde fecaliën van Oost-Europese truckers. Verder rijden is uit den boze. Toegeven aan het nachtmerrie-scenario van ANWB-interventie, een ibis-hotel, en de vlucht missen eveneens. Misschien dat we daardoor vereend de verbogen klep zo goed en zo kwaad weer in het slot krijgen. De gestolde lavastromen om Gent en Antwerpen zijn gestremd door werkzaamheden die er al waren toen wij in 1971 op vakantie gingen. In de havenstad maakt mijn zoon een snelle afweging en leidt ons naar de tolweg. Pure luxe, we rijden, in het groen! Tot we stranden in een trechter voor drie open tolpoortjes van de zevenentwintig. Tergend langzaam perst het verkeer zich door de zandloper. Om ons heen geruisloze, metalliek glanzende, gekoelde oases met getint glas waarin koude frisdranken rondgaan en wordt mee geneuried op The girl from Ipanema. Geen zuchtje wind, de hitte zindert. Onze Orangina is hete thee en de chocoladekoekjes warme pudding. Ieder moment kan de klep de lucht ingaan en de motor stomend ontploffen. Mijn kroost houdt de moed erin: wij maken tenminste herinneringen, de anderen leven in een saai verleden, toch, papa!? Ik glimlach manhaftig in de binnenspiegel, maar ben net als de oude dame compleet over de rooie. Maar ook dit zenuwslopende oponthoud komen we ongedeerd door. We rijden het vaderland binnen met de naald relaxed tegen het rood geleund. In de schaduw van hoge populieren bij een Esso kan mevrouw worden bijgeschonken en even op adem komen. Zij wel! Ik moet het raam van het achterportier weer op zijn plaats zien te krijgen, dat bij het dichtslaan in de deur was gezakt. Omdat we moeten blijven rijden, kiezen we bij een file bij Leiden voor een arcadische omweg. Een lange lus van steeds smaller wordende landweggetjes langs vaarten vol zwemmende kinderen, die uiteindelijk eindigt in een file voor de A4 naar Amsterdam. We delen een bodempje hete cola en ik gein er met mijn kroost op los. Mijn weerstand is gebroken. Dan ontploft dat ouwe wijf toch, dan missen ze hun vlucht toch, kan mij het schelen. Hotelletje in Holbeenstersluis, duik in de vaart, zien we morgen wel verder. Een ijskoude cola, Astrud Gilberto ... Bij Schiphol staat het wederom vast. De kinderen vliegen in anderhalf uur. Deze keer is het niet Google Maps of ik die een afweging maakt. Ditmaal rukt de oude dame zich zelf los uit de stapvoets voortbewegende blikparade, gooit zich voor een BMW en rost voort over een vrijwel lege rijbaan, om mijn kroost iets over tijd bij Terminal 2 af te leveren en hen haastig te zien verdwijnen in hun eigen privé toekomst. Zo zijn we anderhalve week een intiem vijftal en zo zijn we weer met z'n tweeën, alsof het 'spul' is verdampt. De Volvo is vol van hun leegte. Hun stemmen zitten in de bekleding. Door een waas van tranen rijden we naar huis. Ook de oude dame mist hun hoopvolle, jeugdige aanwezigheid. Verdrietig blijft haar wijzer halverwege het groen hangen. Zo ken ik haar weer. Nooit doe ik haar meer weg. Juli 2026 |
De vakantie zit er op. We rijden vanuit Normandië naar Schiphol. Mijn kinderen wonen in Helsinki. De buitentemperatuur is Afrikaans. Het eerste stuk gaat door maïsvelden, dorpjes en over tientallen rotondes. De temperatuurwijzer raakt het rood als ik geen snelheid houd. Van de air-conditioning doet maar tweeëneenhalf raam het. Mijn gemoed is afhankelijk van een wispelturig naaldje. Mijn kroost geeft geen krimp. In een file in Chitôle de Chèvre moet ik gas blijven geven om de koelvin draaiende te houden. 'Politiecontrole,' zegt mijn zoon. Toeristenafwerkplek. Ik zal Frankrijk wel nooit hebben mogen binnenrijden met een auto uit 1969, of een bekeuring omdat de veiligheidshesjes niet in de cabine maar in de kofferbak liggen. 'Ze hebben foto's van die vermiste vrouw waar we laatst brood kochten en in die kerk waren!' zegt mijn jongste. 'Kunnen ze die niet ergens anders zoeken?' vraagt haar zus. 'Precies! Terwijl wij hier verbranden, ligt zij gewoon met d'r buurman te voulez-vous-coucheeën.' Toch haal ik ook opgelucht adem: ik weet zo goed als zeker dat de vrouw niet in onze kofferbak ligt en het gaat geen geld kosten! Een door zijn vader geslagen en gekleineerde gendarme van de Franse Village People in kogelvrij vest gebiedt mij met zijn tennisracket haast te maken, alsof ík de boel ophoud. 'Wat een lul!' vloekt mijn middelste. 'Mmhhh, die snor ... ' dagdroomt mijn jongste (ook al weer 25!). Eindelijk maken we kilometers op een E20 nog wat. Terwijl de meiden flirten met vrachtwagenchauffeurs die mij met hun misthoorns hartverzakkingen bezorgen en mijn dochters een gierende slappe lach, overzie ik angstvallig de diepe glooiingen in het landschap waar we met de wijzer nog net in het groen in duiken en trillend in het rood weer uit kruipen. Wat doe ik de 'oude dame' aan, met dit weer, vier man op haar rug en een in de kofferbak? Bij een tankstation vul ik de bejaarde alcoholiste bij met haar lievelingsdrankje. Koelvloeistof lijkt ze vreemd genoeg niet echt te lusten, olie helemaal niet. Als ik de motorklep weer dicht wil doen, breekt er een schroef van een metaalmoedeloos scharnier. De klep kan niet meer dicht. Gestrand op een door Lucifer geregeerd oefenterrein voor de aanstaande apocalyps. Alle angst, alle lelijkheid, al ons egocentrisch gespartel en heel onze fatale distinctiedrift lijken zich te hebben samengebald bij deze wijselijk door God verlaten pitstop op weg naar de hel. Hoe dat ruikt? Naar benzine, pis, uitlaatgassen en onverteerde fecaliën van Oost-Europese truckers. Verder rijden is uit den boze. Toegeven aan het nachtmerrie-scenario van ANWB-interventie, een ibis-hotel, en de vlucht missen eveneens. Misschien dat we daardoor vereend de verbogen klep zo goed en zo kwaad weer in het slot krijgen. De gestolde lavastromen om Gent en Antwerpen zijn gestremd door werkzaamheden die er al waren toen wij in 1971 op vakantie gingen. In de havenstad maakt mijn zoon een snelle afweging en leidt ons naar de tolweg. Pure luxe, we rijden, in het groen! Tot we stranden in een trechter voor drie open tolpoortjes van de zevenentwintig. Tergend langzaam perst het verkeer zich door de zandloper. Om ons heen geruisloze, metalliek glanzende, gekoelde oases met getint glas waarin koude frisdranken rondgaan en wordt mee geneuried op The girl from Ipanema. Geen zuchtje wind, de hitte zindert. Onze Orangina is hete thee en de chocoladekoekjes warme pudding. Ieder moment kan de klep de lucht ingaan en de motor stomend ontploffen. Mijn kroost houdt de moed erin: wij maken tenminste herinneringen, de anderen leven in een saai verleden, toch, papa!? Ik glimlach manhaftig in de binnenspiegel, maar ben net als de oude dame compleet over de rooie. Maar ook dit zenuwslopende oponthoud komen we ongedeerd door. We rijden het vaderland binnen met de naald relaxed tegen het rood geleund. In de schaduw van hoge populieren bij een Esso kan mevrouw worden bijgeschonken en even op adem komen. Zij wel! Ik moet het raam van het achterportier weer op zijn plaats zien te krijgen, dat bij het dichtslaan in de deur was gezakt. Omdat we moeten blijven rijden, kiezen we bij een file bij Leiden voor een arcadische omweg. Een lange lus van steeds smaller wordende landweggetjes langs vaarten vol zwemmende kinderen, die uiteindelijk eindigt in een file voor de A4 naar Amsterdam. We delen een bodempje hete cola en ik gein er met mijn kroost op los. Mijn weerstand is gebroken. Dan ontploft dat ouwe wijf toch, dan missen ze hun vlucht toch, kan mij het schelen. Hotelletje in Holbeenstersluis, duik in de vaart, zien we morgen wel verder. Een ijskoude cola, Astrud Gilberto ... Bij Schiphol staat het wederom vast. De kinderen vliegen in anderhalf uur. Deze keer is het niet Google Maps of ik die een afweging maakt. Ditmaal rukt de oude dame zich zelf los uit de stapvoets voortbewegende blikparade, gooit zich voor een BMW en rost voort over een vrijwel lege rijbaan, om mijn kroost iets over tijd bij Terminal 2 af te leveren en hen haastig te zien verdwijnen in hun eigen privé toekomst. Zo zijn we anderhalve week een intiem vijftal en zo zijn we weer met z'n tweeën, alsof het 'spul' is verdampt. De Volvo is vol van hun leegte. Hun stemmen zitten in de bekleding. Door een waas van tranen rijden we naar huis. Ook de oude dame mist hun hoopvolle, jeugdige aanwezigheid. Verdrietig blijft haar wijzer halverwege het groen hangen. Zo ken ik haar weer. Nooit doe ik haar meer weg. Juli 2026 |