Van het Nobelhof door de Boeterslaan naar de molen en de spoorbrug en via het laantje van Siem weer terug naar waar we met koffie en gebak waren begonnen. Twee dozijn naar calcium en zuurstof nijpende senioren wandelend door het Compostella van hun jeugd. Of wat daar nog van over is. Het duurde even voor ik (bijna) alle oud-dorpsgenoten herkende achter hun door het leven getekende siliconenmaskers. Een bonte verzameling gepensioneerde westernacteurs in hun weekendkloffie. Figuranten in de film waarin ik de hoofdrol speelde, de rol van de eeuwige jongen aan wie de tijd genadiger is voorbijgegaan dan aan de andere deelnemers. Ik was natuurlijk niet de enige die dat stiekem dacht. Naarmate de voettocht vorderde herkregen onze maskers iets van hun jeugdigheid. Op momenten schemerde er zowaar een jongenskop door het silicoon, want er was wellicht een hoop gebeurd, maar weinig veranderd; in tegenstelling tot het dorp, waar niets was gebeurd maar alles was veranderd. Waar vreemdelingen onze geboortehuizen hadden betrokken, waar onze verwekkers grotendeels waren geoogst en waar dierbare vergezichten waren ontheiligd door wijken vol woongenot, hetgeen wij betreurden, maar waar wij als 'willoze' konijnen zelf ons steentje aan hadden bijgedragen. 'Bea! Zó heette die pony die op de ijsbaan liep.' 'Vanaf hier kon je de duinen zien … ' 'Annie, van het dorpshuis, als ie stevig is dan kannie … ' De optocht liet flarden sentimentele onzin los en lachsalvo's die verwaaiden in de zoele bries. 'Vroeger zat hier van alles: kikkers, stekelbaars … en hélder!' 'Ik wilde hier begraven worden, naast Luciënne Ploeger.' Bij de Chinees in Langedijk ging het alweer over nu en morgen, kunstknieën, K. en Ajax. Sint Pancras, een eeuwenoude strandwal, zowel decor als fundament van een onbezorgde jeugd. Veilig tegen het water én de 'boze buitenwereld', waar wij een eeuwigheid geleden zelf deel van uit waren gaan maken. De strandwal lag er nog, het dorp niet meer, dat zat in ons. Mei 2026 |
Van het Nobelhof door de Boeterslaan naar de molen en de spoorbrug en via het laantje van Siem weer terug naar waar we met koffie en gebak waren begonnen. Twee dozijn naar calcium en zuurstof nijpende senioren wandelend door het Compostella van hun jeugd. Of wat daar nog van over is. Het duurde even voor ik (bijna) alle oud-dorpsgenoten herkende achter hun door het leven getekende siliconenmaskers. Een bonte verzameling gepensioneerde westernacteurs in hun weekendkloffie. Figuranten in de film waarin ik de hoofdrol speelde, de rol van de eeuwige jongen aan wie de tijd genadiger is voorbijgegaan dan aan de andere deelnemers. Ik was natuurlijk niet de enige die dat stiekem dacht. Naarmate de voettocht vorderde herkregen onze maskers iets van hun jeugdigheid. Op momenten schemerde er zowaar een jongenskop door het silicoon, want er was wellicht een hoop gebeurd, maar weinig veranderd; in tegenstelling tot het dorp, waar niets was gebeurd maar alles was veranderd. Waar vreemdelingen onze geboortehuizen hadden betrokken, waar onze verwekkers grotendeels waren geoogst en waar dierbare vergezichten waren ontheiligd door wijken vol woongenot, hetgeen wij betreurden, maar waar wij als 'willoze' konijnen zelf ons steentje aan hadden bijgedragen. 'Bea! Zó heette die pony die op de ijsbaan liep.' 'Vanaf hier kon je de duinen zien … ' 'Annie, van het dorpshuis, als ie stevig is dan kannie … ' De optocht liet flarden sentimentele onzin los en lachsalvo's die verwaaiden in de zoele bries. 'Vroeger zat hier van alles: kikkers, stekelbaars … en hélder!' 'Ik wilde hier begraven worden, naast Luciënne Ploeger.' Bij de Chinees in Langedijk ging het alweer over nu en morgen, kunstknieën, K. en Ajax. Sint Pancras, een eeuwenoude strandwal, zowel decor als fundament van een onbezorgde jeugd. Veilig tegen het water én de 'boze buitenwereld', waar wij een eeuwigheid geleden zelf deel van uit waren gaan maken. De strandwal lag er nog, het dorp niet meer, dat zat in ons. Mei 2026 |