Ik kom hem na jaren weer eens tegen in het badhuis. Als een wasbeertje zwemt hij met verontwaardigd opgerichte snuit door het water. Er is veel dat hem niet zint: drukke jongelui, watergespetter, de prijs van een gerookt makreeltje, Russische bovenburen die met de deuren slaan; als ik met anderen in de sauna praat en niet met hem; als ik hem vergeet te groeten. Regelmatig haalt hij verhaal bij de badjuffrouw of bij mij, waarbij alles hem in tweevoud in zijn linkeroor moet worden toegeschreeuwd. Hij is blij me te zien, maar er is iets niet in orde. Z’n ogen liggen dieper in de kassen, het licht daarin wordt niet alleen verduisterd door zijn overhangende wenkbrauwen maar ook door iets anders, iets vreselijks. Het altijd zo pronte borsteltje onder zijn neus heeft zijn status verloren door een onverzorgde stoppelbaard. Als ik vraag hoe het met hem gaat, begint hij te huilen. ‘Mijn vrouw is dood,’ zegt hij en verdwijnt in de sauna. Ik spoel de shampoo uit mijn haar en zie zijn leven zoals ik het ken aan mij voorbijgaan: als vier-, vijfjarig Amsterdams jochie woonde hij in de oorlog bij een bollenboer in Burgerbrug. Toen zijn moeder hem na de bevrijding met de fiets kwam halen, herkende hij haar niet meer en wilde hij niet mee. Halverwege de jaren zestig vertrok hij opnieuw, noordelijker dit keer, hij speelde als toetsenist in een kwartet op die drijvende flipperkasten tussen Helsinki en Stockholm. Nachtenlang begeleidde hij het leed op de dansvloer. In een restaurant aan wal leerde hij een serveerstertje kennen dat vorige maand op drieënzeventigjarige leeftijd kinderloos is gestorven. In de sauna vertelt Bert dat ze dementeerde. Ze lag de laatste weken vel over been met haar mond open naar het plafond te staren. Hij gooit z’n hoofd achterover en demonstreert hoe ze de pap eruit liet lopen. De uitvaart was mooi geweest. Er was zalm en iets met 'bruis'. Zijn eigenste zuster had verstek laten gaan! In de doucheruimte begint hij weer te snikken. Een harde prop van boosheid en verdriet zit vast in zijn strot. Zijn benedenbuurman had doodleuk te kennen gegeven dat drieënzeventig een ‘mooie leeftijd’ was. Driekwart eeuw geleden klepperden er op een Westfries boerenerf klompjes van een jongetje dat zijn moeder was vergeten. Een zucht later is er, op een querulante zuster na, niemand die Bert nog kent; de laatste die hem liefhad en van zijn bestaan kon getuigen wordt een dezer dagen uitgestrooid. Zo snel kan het gaan. Apr 2026 |
Ik kom hem na jaren weer eens tegen in het badhuis. Als een wasbeertje zwemt hij met verontwaardigd opgerichte snuit door het water. Er is veel dat hem niet zint: drukke jongelui, watergespetter, de prijs van een gerookt makreeltje, Russische bovenburen die met de deuren slaan; als ik met anderen in de sauna praat en niet met hem; als ik hem vergeet te groeten. Regelmatig haalt hij verhaal bij de badjuffrouw of bij mij, waarbij alles hem in tweevoud in zijn linkeroor moet worden toegeschreeuwd. Hij is blij me te zien, maar er is iets niet in orde. Z’n ogen liggen dieper in de kassen, het licht daarin wordt niet alleen verduisterd door zijn overhangende wenkbrauwen maar ook door iets anders, iets vreselijks. Het altijd zo pronte borsteltje onder zijn neus heeft zijn status verloren door een onverzorgde stoppelbaard. Als ik vraag hoe het met hem gaat, begint hij te huilen. ‘Mijn vrouw is dood,’ zegt hij en verdwijnt in de sauna. Ik spoel de shampoo uit mijn haar en zie zijn leven zoals ik het ken aan mij voorbijgaan: als vier-, vijfjarig Amsterdams jochie woonde hij in de oorlog bij een bollenboer in Burgerbrug. Toen zijn moeder hem na de bevrijding met de fiets kwam halen, herkende hij haar niet meer en wilde hij niet mee. Halverwege de jaren zestig vertrok hij opnieuw, noordelijker dit keer, hij speelde als toetsenist in een kwartet op die drijvende flipperkasten tussen Helsinki en Stockholm. Nachtenlang begeleidde hij het leed op de dansvloer. In een restaurant aan wal leerde hij een serveerstertje kennen dat vorige maand op drieënzeventigjarige leeftijd kinderloos is gestorven. In de sauna vertelt Bert dat ze dementeerde. Ze lag de laatste weken vel over been met haar mond open naar het plafond te staren. Hij gooit z’n hoofd achterover en demonstreert hoe ze de pap eruit liet lopen. De uitvaart was mooi geweest. Er was zalm en iets met 'bruis'. Zijn eigenste zuster had verstek laten gaan! In de doucheruimte begint hij weer te snikken. Een harde prop van boosheid en verdriet zit vast in zijn strot. Zijn benedenbuurman had doodleuk te kennen gegeven dat drieënzeventig een ‘mooie leeftijd’ was. Driekwart eeuw geleden klepperden er op een Westfries boerenerf klompjes van een jongetje dat zijn moeder was vergeten. Een zucht later is er, op een querulante zuster na, niemand die Bert nog kent; de laatste die hem liefhad en van zijn bestaan kon getuigen wordt een dezer dagen uitgestrooid. Zo snel kan het gaan. Apr 2026 |