Je bent geneigd Herbert te vergeten, tot hij er zomaar weer is. ‘Hallo, daar ben ik weer,’ zegt hij bij het ochtendgloren. Er ontschiet mij een 'kut!' Waarom altijd zo vroeg? Maar zijn standvastigheid vertedert ook. ‘Hallo,’ zegt-ie weer. En nog eens ‘Hallo, hier ben ik, hallo!' En dat maandenlang. ‘Hallo, waar ben ik? Hier ben ik!’ Hij zegt nooit gedag, alleen maar ‘hallo’. Als-ie weg is is-ie weer weg. Kut, denkt ook Herbert, want Herbert is een sekstoerist. Thuis leeft hij als een monnik, hier laat-ie ‘m uit de broek hangen. Hij heeft geen vaste vakantieliefde, maar verlustigt zich in wisselende seksuele contacten, waarbij hij weinig werk maakt van de kunst van het verleiden. ‘Hallo, waar ben ik?’ roept hij alleen maar. ‘Hier ben ik!' Net als Herbert hebben zijn vrouwen ook geen vaste partner of inwonend kroost uit eerdere relaties. Van Herbert weet ik dat hij te vondeling is gelegd. Over zijn adoptieouders is hij terughoudend. Het schijnt dat die hem liever niet meer zien, zelfs een beetje bang voor hem zijn. Herbert is enigst kind. Ook hierover houdt hij zich op de vlakte. Hoe opgeruimd de bon vivant ook door het leven lijkt te gaan, kan, als je goed luistert, de droeve ondertoon je niet ontgaan. ‘Hallo, hier ben ik … koekoek,’ klinkt het hoog in de els, als de zon warmgerookt zalmig ondergaat en de geuren van de avond uit de grond opstijgen. ‘Koekoek, hier ben ik … wie hoort mij? Koekoek …’ En dan zit er een tak lager opeens een vrouwtje. Irene. Ze schudt wat met haar achterwerk en schuift haar staart terzijde. Behendig hipt Herbert tussen haar trillende vleugels, pikt haar een paar keer in het achterhoofd en 'kust' haar cloaca met de zijne. Het levensvocht is hem nog niet ontsproten of ze duikt reeds onder hem vandaan, waarbij ze Herbert aan z’n erogene zuignap bijna van z’n tak rukt. Hij had best nog even met haar van het laatste avondlicht willen genieten, naast haar in slaap vallen, misschien samen terugvliegen naar huis. Hij wordt oud. En Irene maar als een sperwer over de vaart scheren, opdat de karekieten in doodsnood hun nest verraden. Waarna zij in luttele seconden de door een uitwendige eileider het door Herbert bevruchte, vrijwel identieke eitje tussen die van de waardvogel laat glijden. Maar net zo gemakkelijk breekt zij in bij een kwikstaart of een heggenmus. Er zijn jaren geweest dat Irene wel twintig huisbezoeken aflegde. Je kunt het allemaal ingenieus, maar ook erg omslachtig noemen. Hoe bescheiden Herbert’s inbreng ook, met het klimmen der jaren speelt het hem steeds meer parten. Hoog in zijn boom ontvalt hem met lodderige ogen en een schrijnend geslacht een ‘koekoek’ als een oprisping, een zachte snik. Hij schrikt er zelf van, want hij is nu even helemáál niet in de stemming. Apr 2026 |
Je bent geneigd Herbert te vergeten, tot hij er zomaar weer is. ‘Hallo, daar ben ik weer,’ zegt hij bij het ochtendgloren. Er ontschiet mij een 'kut!' Waarom altijd zo vroeg? Maar zijn standvastigheid vertedert ook. ‘Hallo,’ zegt-ie weer. En nog eens ‘Hallo, hier ben ik, hallo!' En dat maandenlang. ‘Hallo, waar ben ik? Hier ben ik!’ Hij zegt nooit gedag, alleen maar ‘hallo’. Als-ie weg is is-ie weer weg. Kut, denkt ook Herbert, want Herbert is een sekstoerist. Thuis leeft hij als een monnik, hier laat-ie ‘m uit de broek hangen. Hij heeft geen vaste vakantieliefde, maar verlustigt zich in wisselende seksuele contacten, waarbij hij weinig werk maakt van de kunst van het verleiden. ‘Hallo, waar ben ik?’ roept hij alleen maar. ‘Hier ben ik!' Net als Herbert hebben zijn vrouwen ook geen vaste partner of inwonend kroost uit eerdere relaties. Van Herbert weet ik dat hij te vondeling is gelegd. Over zijn adoptieouders is hij terughoudend. Het schijnt dat die hem liever niet meer zien, zelfs een beetje bang voor hem zijn. Herbert is enigst kind. Ook hierover houdt hij zich op de vlakte. Hoe opgeruimd de bon vivant ook door het leven lijkt te gaan, kan, als je goed luistert, de droeve ondertoon je niet ontgaan. ‘Hallo, hier ben ik … koekoek,’ klinkt het hoog in de els, als de zon warmgerookt zalmig ondergaat en de geuren van de avond uit de grond opstijgen. ‘Koekoek, hier ben ik … wie hoort mij? Koekoek …’ En dan zit er een tak lager opeens een vrouwtje. Irene. Ze schudt wat met haar achterwerk en schuift haar staart terzijde. Behendig hipt Herbert tussen haar trillende vleugels, pikt haar een paar keer in het achterhoofd en 'kust' haar cloaca met de zijne. Het levensvocht is hem nog niet ontsproten of ze duikt reeds onder hem vandaan, waarbij ze Herbert aan z’n erogene zuignap bijna van z’n tak rukt. Hij had best nog even met haar van het laatste avondlicht willen genieten, naast haar in slaap vallen, misschien samen terugvliegen naar huis. Hij wordt oud. En Irene maar als een sperwer over de vaart scheren, opdat de karekieten in doodsnood hun nest verraden. Waarna zij in luttele seconden de door een uitwendige eileider het door Herbert bevruchte, vrijwel identieke eitje tussen die van de waardvogel laat glijden. Maar net zo gemakkelijk breekt zij in bij een kwikstaart of een heggenmus. Er zijn jaren geweest dat Irene wel twintig huisbezoeken aflegde. Je kunt het allemaal ingenieus, maar ook erg omslachtig noemen. Hoe bescheiden Herbert’s inbreng ook, met het klimmen der jaren speelt het hem steeds meer parten. Hoog in zijn boom ontvalt hem met lodderige ogen en een schrijnend geslacht een ‘koekoek’ als een oprisping, een zachte snik. Hij schrikt er zelf van, want hij is nu even helemáál niet in de stemming. Apr 2026 |