De makelaar, een Mr. Marvis met bijbehorend verwend grachtensloepgebruind smoelwerk, informeert mij zonder dat ik ernaar gevraagd heb over het kostbare marmeren keukenblad terwijl zijn blik blijft haken aan mijn stukgelopen espadrilles om daaruit mogelijkerwijs te kunnen opmaken of hij zich niet al te hartelijk opstelde. Altijd praten ze tegen míj! Soms speel ik het theater van de vermogende klaploper mee, mij wentelend in de droomachtige luxe zomaar een 19de eeuws pand in de Vondelbuurt te kunnen betrekken, tot K. de leiding overneemt met een vraagje over de erfpacht. Het is vandaag niet anders met dit nepotistenjong, met zijn blote enkeltjes in zijn instaploafers en zijn constante geloer op zijn telefoon. Het recent gerenoveerde, van alle idiote luxe voorziene voorgeborchte met eigen lift – een messing grafkist voor twee –, mag dan bedoeld zijn voor pensionado's zoals wij, maar wij gaan onze dagen niet slijten in een terminale wachtruimte tot het bazuingeschal des Heeren – als het eerste maandag van de maand alarm – ons ontbiedt. Ik vraag aan K. of ze even naar de slaapkamer wil gaan. 'Ben je daar?' roep ik vanuit de open keuken met de wijnklimaatkast en het goud geaderde Calacatta marmer. 'Jaa!' zegt ze. 'Deur dicht?' 'Jaahaa!' Dan roep ik: 'ETEN!!' En nog een keer. Geen antwoord. 'Ze hoort me niet,' zeg ik tegen de makelaar, en tegen K.: 'Kom er maar uit, dit gaat hem niet worden!' Ik tik pro forma nog wat tegen het raam, zwaai met een paar deuren als om de scharnieren te ausculteren, ga op de gang kijken en zeg tegen niemand in het bijzonder: 'Nee, hier ook niet.' K. zegt 'mmhh'. Ik schud de makelaar de hand en zeg dat we er vanaf zien. K. zegt dat we liever ergens anders dood willen worden gevonden dan in een daarvoor bestemde ruimte. Zijn blik daalt af naar mijn espadrilles, met dedain ditmaal, voelbaar ook in zijn slappe hand. Het hoort er nu eenmaal bij: zonder vergoeding aan vieze oude wezens zitten. Juni 2026 |
De makelaar, een Mr. Marvis met bijbehorend verwend grachtensloepgebruind smoelwerk, informeert mij zonder dat ik ernaar gevraagd heb over het kostbare marmeren keukenblad terwijl zijn blik blijft haken aan mijn stukgelopen espadrilles om daaruit mogelijkerwijs te kunnen opmaken of hij zich niet al te hartelijk opstelde. Altijd praten ze tegen míj! Soms speel ik het theater van de vermogende klaploper mee, mij wentelend in de droomachtige luxe zomaar een 19de eeuws pand in de Vondelbuurt te kunnen betrekken, tot K. de leiding overneemt met een vraagje over de erfpacht. Het is vandaag niet anders met dit nepotistenjong, met zijn blote enkeltjes in zijn instaploafers en zijn constante geloer op zijn telefoon. Het recent gerenoveerde, van alle idiote luxe voorziene voorgeborchte met eigen lift – een messing grafkist voor twee –, mag dan bedoeld zijn voor pensionado's zoals wij, maar wij gaan onze dagen niet slijten in een terminale wachtruimte tot het bazuingeschal des Heeren – als het eerste maandag van de maand alarm – ons ontbiedt. Ik vraag aan K. of ze even naar de slaapkamer wil gaan. 'Ben je daar?' roep ik vanuit de open keuken met de wijnklimaatkast en het goud geaderde Calacatta marmer. 'Jaa!' zegt ze. 'Deur dicht?' 'Jaahaa!' Dan roep ik: 'ETEN!!' En nog een keer. Geen antwoord. 'Ze hoort me niet,' zeg ik tegen de makelaar, en tegen K.: 'Kom er maar uit, dit gaat hem niet worden!' Ik tik pro forma nog wat tegen het raam, zwaai met een paar deuren als om de scharnieren te ausculteren, ga op de gang kijken en zeg tegen niemand in het bijzonder: 'Nee, hier ook niet.' K. zegt 'mmhh'. Ik schud de makelaar de hand en zeg dat we er vanaf zien. K. zegt dat we liever ergens anders dood willen worden gevonden dan in een daarvoor bestemde ruimte. Zijn blik daalt af naar mijn espadrilles, met dedain ditmaal, voelbaar ook in zijn slappe hand. Het hoort er nu eenmaal bij: zonder vergoeding aan vieze oude wezens zitten. Juni 2026 |